wetzoeker

Paragraaf 1 — Inleiding Beleidsregels Wet Bibob Wtza

Inleiding

De Wet Bibob is een bestuursrechtelijk instrument en is bedoeld om te voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert door onder meer vergunningen te verstrekken die gebruikt worden voor illegale praktijken zoals bijvoorbeeld geld witwassen of frauderen. Om die reden heeft de minister de bevoegdheid gekregen om de achtergrond van betrokkene te (laten) onderzoeken. De Wet Bibob is bedoeld als ultimum remedium, dat wil zeggen dat de minister eerst nagaat of er op andere gronden aanleiding is voor een weigering of intrekking van een vergunning. Als er een ernstig gevaar dreigt dat de vergunning wordt misbruikt voor het benutten van crimineel verkregen voordeel of het plegen van strafbare feiten, kan de minister de aanvraag weigeren of de al verleende vergunning intrekken. Ook heeft de minister de bevoegdheid om in bepaalde gevallen voorschriften te verbinden aan de toelatingsvergunning. Deze moeten erop gericht zijn het geconstateerde gevaar weg te nemen of te beperken.

Het Bibob-onderzoek kan in twee fasen worden onderscheiden. De eerste fase betreft een eigen onderzoek door de minister (hierna: eigen Bibob-onderzoek). De minister kan besluiten om advies te vragen aan het bureau indien de minister na het eigen Bibob-onderzoek behoefte heeft aan advies over de mate van gevaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, Wet Bibob of over de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van die wet. In deze tweede fase voert het Bureau een onderzoek uit waarbij verschillende bij wet aangewezen instanties en een veelheid aan bronnen geraadpleegd kunnen worden, zodat het advies een zo compleet mogelijk beeld schetst.

Hierna wordt uitgelegd welke situaties ertoe kunnen leiden dat een vergunning wordt ingetrokken of geweigerd of dat voorschriften kunnen worden verbonden aan de vergunning op grond van de Wet Bibob. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 uiteengezet welke omstandigheden aanleiding geven voor een eigen Bibob-onderzoek. Daarna wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op het eigen onderzoek door de minister. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 beschreven wat er gebeurt indien advies wordt gevraagd van het Bureau. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 nader ingegaan op de beoordeling die in het kader van de artikelen 5 en 7 Wtza plaatsvindt naar aanleiding van de uitkomsten van het eigen Bibob-onderzoek of het Bibob-advies.

Regeling
Beleidsregels Wet Bibob Wtza
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
07-01-2022
BWB-id
BWBR0046184
Versie
2022-01-07_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl