wetzoeker

3 — Bijzonder overheidstoezicht Omzetbelasting, beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen; bijzonder overheidstoezicht

Bijzonder overheidstoezicht

Het bijzonder overheidstoezicht vindt zowel bij icbe’s als bij vergelijkbare andere beleggingsinstellingen plaats via de Wft-vergunning(plicht) van de beheerder van het fonds op grond van artikel 2:65 respectievelijk 2:69b Wft. Alleen als een icbe niet over een beheerder beschikt, is de icbe zelf Wft-vergunningplichtig. De Wft-vergunning(plicht) voor (de beheerder van) een icbe of een beleggingsinstelling betreft toezicht op de beheerder en het beleggingsfonds (bijvoorbeeld of aan de risicospreidingsregels wordt voldaan). Een vergunning om onder meer beleggingsdiensten te verlenen, zoals bedoeld in artikel 2:96 Wft, volstaat volgens de HR voor het onderworpen zijn aan bijzonder overheidstoezicht in het geval de bezitter van deze vergunning beleggingsdiensten verleent aan een fonds dat voor de toepassing van de btw-heffing met een gemeenschappelijk beleggingsfonds is gelijk te stellen omdat het dezelfde kenmerken vertoont als een icbe of zodanig vergelijkbaar is dat het daarmee concurreert.

8 HR 4 december 2020, nr. 18/03680, ECLI:NL:HR:2020:1914, r.o. 3.4.4. Het in aanmerking nemen van dit regime voor de toepassing van de vrijstelling laat de gelding van de in de Wft opgenomen toezichtregimes onverlet.

Voor de toepassing van de vrijstelling kan ervan worden uitgegaan dat onderworpen zijn aan bijzonder overheidstoezicht:

a. Icbe’s en beleggingsinstellingen die vergunningplichtig zijn of waarvoor de beheerder vergunningplichtig is op grond van artikel 2:65 respectievelijk 2:69b Wft (onderdeel 3.1);

b. Andere voor de btw als gemeenschappelijke beleggingsfondsen aan te merken fondsen waaraan beleggingsdiensten worden verleend door beleggingsondernemingen onder hun vergunningplicht op grond van artikel 2:96 Wft (onderdeel 3.2);

c. Beleggingsinstellingen die vallen onder het registratieregime (licht toezicht) van artikel 2:66a Wft (onderdeel 3.3);

d. Interne fondsen van verzekeraars die vallen onder het toezicht van DNB en AFM op verzekeraars (onderdeel 3.4.1);

e. Interne fondsen in een master-feederbeleggingsstructuur die vallen onder het financieel toezicht op de extern opererende feederbeleggingsinstelling of feeder-icbe (onderdeel 3.4.2);

f. Pensioenfondsen (onderdeel 3.5);

g. Gemeenschappelijke beleggingsfondsen die beheerd worden door banken onder hun vergunningplicht op grond van artikel 2:11 en 2:13 Wft in samenhang met artikel 2:97 Wft (onderdeel 3.6).

Voor (van vennootschapsbelasting) vrijgestelde beleggingsinstellingen (VBI’s), Fondsen voor Gemene Rekening (FGR’s) en zogenoemde CLO (Collateralized Loan Obligation)-vennootschappen en dergelijke geldt dat ervan kan worden uitgegaan dat sprake is van bijzonder overheidstoezicht als zij onder één van de hiervoor genoemde categorieën vallen. Voor toepassing van de vrijstelling geldt dat naast bijzonder overheidstoezicht sprake moet zijn van een gemeenschappelijk beleggingsfonds dat voldoet aan de in onderdeel 2. genoemde voorwaarden één tot en met vier en dat sprake is van beheer in de zin van de vrijstelling.

Regeling
Omzetbelasting, beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen; bijzonder overheidstoezicht
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
03-11-2021
BWB-id
BWBR0045760
Versie
2021-11-03_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl