3.1.3.7 — Vastleggen diagnose van de patiënt Regeling dbbc’s, zzp’s en extramurale parameters forensische zorg
Vastleggen diagnose van de patiënt
Het vijfde onderdeel van de typering is het vastleggen van de diagnose van de patiënt. De diagnoseclassificatie in de dbbc-systematiek sluit aan bij de regels die gelden voor het gebruik van de DSM-5. De DSM-5 diagnose wordt via een conversietabel vertaald naar een DSM-IV-TR diagnose. De hoofdbehandelaar registreert de diagnose met behulp van de diagnosetabel die is gebaseerd op de DSM-IV-TR. De diagnose moet geregistreerd worden op vijf assen.
As 1: Klinische stoornissen
Op As 1 kunnen één of meerdere stoornissen worden geselecteerd volgens de diagnosetabel. Tabel 1 laat tevens zien hoe de hoofdgroepen van de diagnosetabel volgen uit de hoofdgroepen van de DSM-IV-TR.
Op As 1 is de diagnose 799.9 ‘Diagnose/aandoening uitgesteld’ niet toegestaan.
Registreer V71.09 ‘Geen diagnose of aandoening op As 1 aanwezig’ als er geen As 1-stoornis bij de betreffende patiënt aanwezig is
Tabel 1: As 1 Klinische stoornissen
As 1 Klinische stoornissen
DSM IV-TR | Diagnosetabel
Stoornissen in de kindertijd | Stoornissen in de kindertijd
Delirium, dementie en amnestische en andere cognitieve stoornissen | Restgroep diagnoses
Psychische stoornissen door een somatische aandoening | Restgroep diagnoses
Aan een middel gebonden stoornissen | Aan een middel gebonden stoornissen
Schizofrenie en andere psychotische stoornissen | Schizofrenie en andere psychotische stoornissen
Stemmingsstoornissen | Restgroep diagnoses
Angststoornissen | Restgroep diagnoses
Somatoforme stoornis | Restgroep diagnoses
Nagebootste stoornissen | Restgroep diagnoses
Dissociatieve stoornissen | Restgroep diagnoses
Seksuele stoornissen en genderidentiteitsstoornissen | Seksuele stoornissen
Eetstoornissen | Restgroep diagnoses
Slaapstoornissen | Restgroep diagnoses
Stoornissen in de impulsbeheersing | Stoornissen in de impulsbeheersing
Aanpassingsstoornissen | Restgroep diagnoses
Andere aandoeningen en problemen die een reden voor zorg kunnen zijn | Restgroep diagnoses
Problemen in verband met misbruik of verwaarlozing
As 2: Persoonlijkheidsstoornissen
Op As 2 kunnen één of meerdere stoornissen worden geselecteerd volgens de diagnosetabel. Geef per stoornis aan of de stoornis aanwezig is of dat er trekken van deze stoornis aanwezig zijn. Naast de registratie van de persoonlijkheidsstoornissen kan maximaal één code voor zwakzinnigheid of zwakbegaafdheid worden geregistreerd. Tabel 2 laat zien hoe de hoofdgroepen van de diagnosetabel volgen uit de hoofdgroepen van de DSM-IV-TR.
Let op:
Per persoonlijkheidsstoornis sluiten de antwoordmogelijkheden ‘aanwezig’ en ‘trekken van’ elkaar uit.
Op As 2 kunt u wel kiezen voor de code 799.9 ‘Diagnose/aandoening uitgesteld’, maar deze kan nooit de primaire diagnose van de dbbc zijn.
Registreer V71.09 ‘Geen diagnose of aandoening op As 2 aanwezig’ als er geen As 2-stoornis bij de betreffende patiënt aanwezig is.
Tabel 2: As 2 Persoonlijkheidsstoornissen
As 2 Persoonlijkheidsstoornissen
DSM IV-TR | Diagnosetabel
Zwakzinnigheid (Stoornissen in de kindertijd) • Lichte zwakzinnigheid • Matige zwakzinnigheid • Ernstige zwakzinnigheid • Diepe zwakzinnigheid • Zwakzinnigheid, ernst niet gespecificeerd | Restgroep diagnoses
Persoonlijkheidsstoornissen • Paranoïde persoonlijkheidsstoornis • Schizoïde persoonlijkheidsstoornis • Schizotypische persoonlijkheidsstoornis • Antisociale persoonlijkheidsstoornis • Borderline persoonlijkheidsstoornis • Theatrale persoonlijkheidsstoornis • Narcistische persoonlijkheidsstoornis • Ontwijkende persoonlijkheidsstoornis • Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis • Obsessieve – compulsieve persoonlijkheidsstoornis • Persoonlijkheidsstoornis NAO • Uitgesteld / geen persoonlijkheidsstoornis | Persoonlijkheidsstoornissen
Zwakbegaafdheid (bijkomende problemen die een reden voor zorg kunnen zijn) | Restgroep diagnoses
As 3: Somatische aandoeningen
Registreer alleen de somatische aandoening die een directe relatie heeft met de As 1- of As 2-stoornis (bijvoorbeeld: delirium door een somatische aandoening).
De registratie van somatische aandoeningen is in de dbbc-systematiek beperkt tot drie niveaus:
1. ‘Geen of geen relevante diagnose op As 3’ als er geen somatische aandoening aanwezig is of als de somatische aandoening geen consequenties heeft voor de behandeling van de patiënt.
• ‘Diagnose op As 3 enkelvoudig’ als er sprake is van een somatische aandoening die beperkte consequenties heeft. Doe dit dus alleen als deze aandoening naar verwachting zorgverzwarend is voor de behandeling van de primaire diagnose.
• ‘Diagnose op As 3 complex’ als er sprake is van een somatische aandoening die veel consequenties heeft dan wel zorgverzwarend werkt voor de behandeling van de As 1- of As 2-stoornis. Van complex is bijvoorbeeld sprake als:
een medisch specialistische behandeling door een andere medisch specialist dan de psychiater noodzakelijk is;
aanvullende zorg gericht op de somatische aandoening of als gevolg van de somatische aandoening noodzakelijk is. Bijvoorbeeld in geval van doofheid;
er een specifieke behandelafdeling (paaz, puk, pmu/gapz/gaaz) nodig is om zorg te kunnen bieden;
er sprake is van bepaalde specifieke ziektebeelden, zoals ziekte van Alzheimer of Hypothyreoïdie.
De hoofdbehandelaar beoordeelt of er sprake is van enkelvoudig of complex. In Tabel 3 staan de omschrijvingen van de somatische aandoeningen die op As 3 van de diagnosetabel geselecteerd kunnen worden.
Tabel 3: As 3 Somatische aandoeningen
As 3 Somatische aandoeningen
Diagnosetabel | Bijzonderheden
Diagnose op As3, complex | Registreer alleen de somatische diagnoses die een directe relatie hebben met de As 1- of As 2-stoornis
Diagnose op As3 enkelvoudig
Geen of geen relevante diagnose op As3
As 4: Psychosociale factoren en omgevingsfactoren
Op As 4 worden psychosociale factoren en omgevingsfactoren vastgelegd die een duidelijk zorgverzwarende factor vormen bij de behandeling van de primaire diagnose. Registreer ‘diagnose of aandoening niet aanwezig’ als er geen As 4-factor aanwezig is. Tabel 4 geeft deze factoren weer.
Tabel 4: As 4 Psychosociale factoren en omgevingsfactoren
As 4 Psychosociale factoren en omgevingsfactoren
Factoren | Bijzonderheden
Problemen binnen de primaire steungroep | Deze psychosociale factoren en omgevingsfactoren mogen alleen vastgesteld worden als ze duidelijk zorgverzwarend werken.
Problemen verbonden aan de sociale omgeving
Studie/scholingsproblemen
Werkproblemen
Woonproblemen
Financiële problemen
Problemen met de toegankelijkheid van gezondheidsdiensten
Problemen met justitie/ politie of met de misdaad
Andere psychosociale en omgevingsproblemen
Geen diagnose/ factor op As 4 aanwezig | Als er geen psychosociale factoren aanwezig zijn of wanneer deze geen consequenties hebben voor de behandeling van de primaire diagnose, moet deze code geregistreerd worden.
As 5: GAF-score
Ten slotte registreert de hoofdbehandelaar op As 5 de Global Assessment of Functioning-score (GAF-score) driemaal:
Bij openen (tweemaal):
De hoogste GAF-score van de voorgaande 365 dagen. Is er geen eerdere GAF-score? Registreer dan de GAF-score bij het begin van de behandeling of maak een inschatting van de hoogste GAF-score van het afgelopen jaar.
De GAF-score op het moment van openen van de dbbc.
Bij sluiten: de GAF-score op de einddatum van de dbbc.
De verdeling van de GAF-scores zoals deze wordt gebruikt in de dbbc-systematiek is weergegeven in Tabel 5.
Tabel 5: As 5 GAF-score
As 5: GAF-score
GAF
GAF score 1–10
GAF score 11–20
GAF score 21–30
GAF score 31–40
GAF score 41–50
GAF score 51–60
GAF score 61–70
GAF score 71–80
GAF score 81–90
GAF score 91–100
- Regeling
- Regeling dbbc’s, zzp’s en extramurale parameters forensische zorg
- Soort
- ZBO-regeling
- Geldend vanaf
- 01-09-2021
- BWB-id
- BWBR0045705
- Versie
- 2021-09-01_0