wetzoeker

3.1.3.5 — Vastleggen aard en mate van gevaar Regeling dbbc’s, zzp’s en extramurale parameters forensische zorg

Vastleggen aard en mate van gevaar

Het derde onderdeel van de typering is het vastleggen van de aard van het gevaar en de mate waarin de patiënt een gevaar vormt. Dit gevaar wordt in drie categorieën getypeerd:

1. Acuut fysiek gevaar

Hierbij geeft de hoofdbehandelaar aan in welke mate de patiënt een fysiek gevaar vormt voor zijn omgeving en/of voor zichzelf. Het gaat hier om het gevaar van de patiënt in de behandelsetting gedurende het afgelopen jaar. Als de patiënt korter dan een jaar in de instelling verblijft, gaat het om het gevaar van de patiënt in de behandelsetting sinds opname. De hoofdbehandelaar baseert de mate van gevaar op de eventuele incidenten die zich in het afgelopen jaar/sinds opname hebben voorgedaan.

Voorbeelden van incidenten zijn:

De patiënt heeft een gevaar gevormd voor een ander.

De patiënt heeft zichzelf of een ander daadwerkelijk schade berokkend.

De patiënt is gesepareerd geweest.

De mate van acuut fysiek gevaar is onderverdeeld in de volgende categorieën:

Geen risico: geen dreiging aanwezig.

Laag risico: verbale dreiging.

Matig risico: één (fysiek) incident en eventueel verbale dreiging.

Hoog risico: meerdere incidenten dan wel één ernstig incident waarbij schade aan het slachtoffer of de patiënt zelf is berokkend.

• Vluchtgevaar

Hier geeft de hoofdbehandelaar aan in welke mate de patiënt, die klinisch is opgenomen, ontsnappingspogingen heeft voorbereid en/of heeft ondernomen. De hoofdbehandelaar gebruikt hiervoor alle hem bekende informatie die hij relevant acht, ook als die ver in het verleden ligt. De mate van vluchtgevaar moet alleen worden beoordeeld als de patiënt klinisch wordt behandeld.

De mate van vluchtgevaar is onderverdeeld in de volgende categorieën:

Geen risico: patiënt heeft geen poging tot ontvluchting ondernomen.

Laag risico: patiënt heeft in het verleden voorbereidingen getroffen voor een vluchtpoging, zonder een daadwerkelijke poging te doen.

Matig risico: patiënt heeft in het verleden daadwerkelijk een vluchtpoging ondernomen.

Hoog risico: patiënt is er in het verleden in geslaagd te ontsnappen.

Niet van toepassing: patiënt wordt ambulant behandeld.

• Recidivegevaar

Het gaat hierbij om het gevaar wanneer de patiënt zich op dit moment in de maatschappij zou begeven. Hiervoor moet de hoofdbehandelaar gebruik maken van één van de volgende risicotaxatie-instrumenten: HKT-30, HCR-20 of SVR-20. Wanneer voor de patiënt risicotaxatie(s) gedaan zijn in het kader van verlofbewegingen, kan informatie uit die risicotaxatie(s) gebruikt worden voor het classificeren van het recidivegevaar. De categorieën voor recidivegevaar zijn:

Voor het classificeren van de mate van recidivegevaar maakt de hoofdbehandelaar gebruik van de score op een risicotaxatie-instrument, bijvoorbeeld:

− HKT-30

− HCR-20

− SVR-20

De categorieën voor recidivegevaar zijn:

− geen/laag risico

− matig risico

− hoog risico

− onbekend

Let op: De categorie ‘onbekend’ wordt gebruikt wanneer de hoofdbehandelaar geen uitspraak kan doen over de mate van het recidivegevaar, omdat de patiënt nog niet veroordeeld is (preventieve fase).

Regeling
Regeling dbbc’s, zzp’s en extramurale parameters forensische zorg
Soort
ZBO-regeling
Geldend vanaf
01-09-2021
BWB-id
BWBR0045705
Versie
2021-09-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl