2.3.1 — Bronbeschijving (deel 1) Omgevingsregeling
Bronbeschijving
Indeling van voertuigen
Definitie van voertuig en trein
Ten behoeve van deze berekeningsmethode voor geluidsbelasting wordt een voertuig gedefinieerd als een afzonderlijk deel van een trein (doorgaans een locomotief, zelf-aangedreven rijtuig, getrokken rijtuig of goederenwagon) dat onafhankelijk kan worden verplaatst en van de rest van de trein kan worden losgemaakt. Sommige specifieke omstandigheden kunnen optreden voor delen van een trein die deel uitmaken van een niet-afkoppelbare set, bijvoorbeeld die samen één draaistel delen. Ten behoeve van deze berekeningsmethode worden al deze delen in één voertuig samengebracht. Ten behoeve van deze berekeningsmethode bestaat een trein uit een reeks gekoppelde voertuigen.
Tabel 2.3.a1 definieert een gemeenschappelijke taal voor de beschrijving van de voertuigtypen die in de brondatabank zijn opgenomen. Zij geeft de relevante descriptoren die moeten worden gebruikt om de voertuigen in hun geheel te classificeren. Deze descriptoren stemmen overeen met de eigenschappen van het voertuig die invloed hebben op het akoestische richtingsafhankelijk geluidsvermogen per meter lengte van de equivalente gemodelleerde bronlijn.
Het aantal voertuigen per type wordt vastgesteld op elk van de baanvakken voor elk van de tijdsperioden die in de berekening van geluidsbelasting worden gebruikt. Het wordt uitgedrukt als een gemiddeld aantal voertuigen per uur, dat wordt verkregen door het totaal aantal voertuigen in een bepaalde periode te delen door de duur van deze periode in uren (bijvoorbeeld 24 voertuigen in vier uur betekent 6 voertuigen per uur). Alle voertuigtypen die op elk baanvak rijden, worden gebruikt.
Tabel 2.3.a1 Indeling en descriptoren voor spoorvoertuigen
Cijfer | 1 | 2 | 3 | 4
Descriptor | Voertuigtype | Aantal assen per voertuig | Type rem | Wielmaatregel
Verklaring van de descriptor | Een letter die het type beschrijft | Het werkelijk aantal assen | Een letter die het type rem beschrijft | Een letter die het type lawaaiverminderings maatregel beschrijft
Mogelijke descriptoren | h hogesnelheidsvoertuig (> 200 km/h) | 1 | c gietijzeren blok | n geen maatregel
m zelf-aangedreven reizigersrijtuigen | 2 | k blok van composiet metaal of sintermetaal | d dempers
p getrokken reizigersrijtuigen | 3 | n niet op het loopvlak remmend, zoals schijf, trommel, magnetisch | s schermen
c stadstram of lichte metro zelf-aangedreven en niet-zelf-aangedreven rijtuig | 4 | | o overige
d diesellocomotief | enz
e elektrische locomotief
a algemeen vrachtvoertuig
o andere (dat wil zeggen onderhoudsvoertuigen enz.)
In Nederland worden als voertuigtypen de voertuigcategorieën toegepast uit bijlage IVf, paragraaf 1.2.1, bij de Omgevingsregeling, waarbij de descriptoren horen zoals aangegeven in tabel 2.3.a2.
Tabel 2.3.a2 Descriptoren van voertuigcategorieën
Cat 1 | m4cn
Cat 2 | m4cn, p4cn, m4nn, p4nn
Cat 3 | m4nn, p4nn, m4kn, p4kn
Cat 4 | a4cn
Cat 5 | d4cn
Cat 6 | d4nn
Cat 7 | c6nn
Cat 8 | m3nn, p3nn
Cat 9 | h3nn, h3kn, h3cn
Cat 10 | c3nn
Cat 11 | a4kn
Cat 12 | m2nn, m3nn
Classificatie van railtypen
De bestaande railtypen kunnen verschillen, omdat verscheidene elementen bijdragen aan hun akoestische eigenschappen en deze karakteriseren. De railtypen die in deze methode worden gebruikt, staan vermeld in onderstaande tabel 2.3.b. Sommige elementen hebben een grote invloed op de akoestische eigenschappen, terwijl andere slechts een bijkomend effect hebben. In het algemeen zijn de meest relevante elementen die de emissie van het spoorweglawaai beïnvloeden: ruwheid van de railkop, stijfheid van de onderlegplaatjes, spoorbed, voegen en boogstraal. Als alternatief kunnen de algemene eigenschappen van het spoor worden gedefinieerd en in dit geval zijn de ruwheid van de railkop en de mate van afstandsdemping volgens ISO 3095 de meest essentiële akoestische parameters, plus de boogstraal.
Een baanvak wordt gedefinieerd als een deel van een enkel spoor, op een spoorlijn, station of depot, waarop de fysieke kenmerken en basiscomponenten van het spoor niet veranderen.
Tabel 2.3.b1 definieert een gemeenschappelijke taal voor de beschrijving van de railtypen die in de brondatabank zijn opgenomen.
Tabel 2.3.b1 Descriptoren voor railtypen
Cijfer | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6
Descriptor | Spoorbed | Ruwheid van de railkop | Type onderleg-plaat | Aanvullende maatregelen | Voegen | Boogstraal
Verklaring van de descriptor | Type spoorbed | Indicator voor ruwheid | Geeft een indicatie van de ‘dynamische’ stijfheid weer | Een letter die de akoestische inrichting beschrijft | Aanwezigheid van voegen en onderlinge afstand | Geeft de boogstraal aan in m
Toegestane codes | B Ballast | E Goed onderhouden en zeer glad | S Zacht (150–250 MN/m) | N Geen | N Geen | N Recht spoor
S Betonplaten spoor | M Normaal onderhouden | M Gemiddeld (250 tot 800 MN/m) | D Raildemper | S Enkele voeg of wissel | L Laag (1.000-500 m)
L Brug volgestort met ballast | N Niet goed onderhouden | H Stijf (800–1.000 MN/m) | B Minischerm | D Twee voegen of wissels per 100 m | M Gemiddeld (minder dan 500 m en meer dan 300 m)
N Brug zonder ballast | B Niet onderhouden en slechte conditie | | A Absorberende plaat op betonplaten- spoor | M Meer dan twee voegen of wissels per 100 m | H Hoog (minder dan 300 m)
T Ingegoten spoor | | | E Ingegoten spoorstaaf
O Overige | | | O Overige
In Nederland worden als railtypen de bovenbouwconstructies toegepast uit bijlage IVf, paragraaf 2.2, bij de Omgevingsregeling, waarbij de descriptoren horen zoals aangegeven in tabel 2.3.b2:
Tabel 2.3.b2 Meest voorkomende descriptorcombinaties per bovenbouwtypen voor doorgaand spoor
bb=1 | BMHNNN
bb=2 | BMHNNN
bb=3 | BMHNSN, BMHNDN
bb=4 | SMHNNN
bb=5 | BMHNNN
bb=6 | SMMNNN/NMMNNN
bb=7 | BMMNNN
bb=8 | TM_ENN
bb=9 | SMHNNN
bb=10 | BMHDNN
bb=11 | OMHNNN
bb=12 | OMHDNN
Tabel 2.3.b2 Meest voorkomende descriptorcombinaties per bovenbouwtypen voor wisseldelen
bb=1 | BMHNDL
bb=2 | BMHNDL
bb=3 | BMHNDL
bb=9 | SMHNDL
bb=11 | OMHNDL
Aantal en plaats van de equivalente geluidsbronnen
De verschillende equivalente geluidsbronlijnen worden op verschillende hoogten en in het midden van het spoor geplaatst. Alle hoogten worden gerekend vanaf de raaklijn van de twee bovenste oppervlakken van de twee spoorstaven.
De equivalente bronnen omvatten verschillende fysieke bronnen (index p). Deze fysieke bronnen zijn onderverdeeld in verschillende categorieën, afhankelijk van het generatiemechanisme, en omvatten: 1) rolgeluid (waaronder niet alleen trillingen van rails en spoorbedding en wielen, maar ook, waar aanwezig, geluid van de wagenbovenbouw van de vrachtvoertuigen), 2) tractiegeluid, 3) aerodynamisch geluid, 4) stootgeluid (van overgangen, wissels en knooppunten), 5) booggeluid en 6) geluid door extra effecten zoals bruggen en viaducten.
1. De wiel- en railkopruwheid genereren langs drie transmissiepaden naar de afstralende oppervlakken (spoorstaven, wielen en bovenbouw), het rolgeluid. Dit wordt toegewezen aan h = 0,5 m (afstralende oppervlakken A) om de bijdrage van het spoor weer te geven, waaronder de invloed van het oppervlak van de spoorstaven, vooral betonplatenspoor (in overeenstemming met het voortplantende deel), om de bijdrage van de wielen weer te geven, en om de bijdrage van de wagenbovenbouw van het voertuig aan het geluid weer te geven (in goederentreinen).
- Regeling
- Omgevingsregeling
- Afkortingen
- Or
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 18-09-2026
- BWB-id
- BWBR0045528
- Versie
- 2026-09-18_0