wetzoeker

4.4.2 — Gegevensbestand voor bepaling bodemdemping Omgevingsregeling

Gegevensbestand voor bepaling bodemdemping

Het gegevensbestand voor de bepaling van de bodemdemping bevat resultaten van berekeningen met een numeriek rekenmodel voor geluidoverdracht, het Parabolic-Equation model (PE model). Het betreft berekeningen van de bodemdemping voor de 27 meteorologische klassen exclusief geometrische demping en luchtdemping. De berekeningsresultaten zijn gegeven als coëfficiënten van een twintigste-orde polynoom. De bodemdemping voor een specifieke situatie wordt bepaald volgens de formule:

(4.8)

waarbij wordt verstaan onder:

c i coëfficiënten van twintigste-orde polynoom;

R horizontale afstand van bronpunt naar rekenpunt.

De 21 coëfficiënten van de polynoom zijn in het bestand gegeven voor:

• 27 meteorologische klassen;

• 3 waarden voor de akoestische bodemhardheid (reflecterend, absorberend en zeer absorberend);

• 12 hoogten van rekenpunten (0,1; 0,5; 1; 1,5; 2; 3; 4; 5; 6; 8; 10 en 15 m);

• 16 bronhoogten (0,1; 0,5; 1; 1,5; 2; 3; 4; 5; 6; 8; 10; 15; 20; 30; 40 en 50 m);

• 9 octaafbanden (16 Hz t/m 4.000 Hz).

Totaal bevat dit bestand dus 21×27×3×12×16×9= 2.939.328 coëfficiënten.

Meteorologische klassen

In deze methode worden 27 meteorologische klassen onderscheiden. Een klasse wordt gerepresenteerd door een functie, die de geluidsnelheid beschrijft als functie van de hoogte; het zogenaamde geluidsnelheidsprofiel. Deze profielen zijn in drie groepen onderverdeeld:

groep 1: cn(h) = c10 + bn[(h/h0 + 1)–0.3 – 1] | Voor n = 1 ... 7;

groep 2: cn(h) = c10 + bnln(h/h0 + 1) | Voor n = 8 ... 18;

groep 3: cn(h) = c10 + bn[(h/h0 + 1)+0.3 – 1] | Voor n = 19 ... 27.

(4.9)

waarbij wordt verstaan onder:

c n (h) geluidsnelheidsprofiel;

h hoogte t.o.v. plaatselijk maaiveld;

h 0 referentiehoogte h0= 0,1 m;

c 10 geluidsnelheid bij 10° C en 1 atmosfeer (zie paragraaf 2.10);

b n parameter van het geluidsnelheidsprofiel (zie tabel 4.1).

Tabel 4.1 Waarden van de parameters bn (in m/s) uit de formules (4.9). Tegenwind en neutrale situaties zijn vet gemarkeerd.

Groep 1 | b 1 = 10 | b 2 =3 | b 3 = 1 | b4= -1 | b5= -3 | b6= -6 | b7= -10

Groep 2 | b 8 = -1 | b 9 = -0,4 | b 10 = -0,2 | b 11 = 0 | b12= 0,2 | b13= 0,4 | b14= 0,7

b15= 1,1 | b16=1,5 | b17= 2 | b18= 2,5

Groep 3 | b 19 = -1 | b 20 = -0,5 | b 21 = -0,2 | b22= 0,2 | b23= 0,4 | b24= 0,65 | b25= 1

b26= 1,4 | b27= 2

Formule (4.8) is vanaf 15 m tot een bepaalde maximum afstand geldig. De minimale en maximale afstand zijn in het gegevensbestand opgenomen. Voor afstanden groter dan de maximale afstand wordt de waarde op de maximale afstand genomen. Voor afstanden kleiner dan 15 m kan formule 4.8 niet worden toegepast. Als echter het geluidpad over verschillende bodemtypen loopt kan het voorkomen dat een bronpunt op korte afstand van een bodemovergang ligt en over een afstand kleiner dan 15 m de bodemdemping moet worden bepaald (zie ook paragraaf 4.6.4).

In dat geval moet gebruik worden gemaakt van onderstaande interpolatieformule:

Voor R < 15m | (4.10)

Interpolatie en extrapolatie

Het gegevensbestand is gevuld voor een gekozen verzameling van combinaties van hoogtes van het bron- en rekenpunt. Deze verzameling kan worden uitgebreid met de reciproque combinaties. Het reciprociteitsprincipe houdt in dat de waarde van de bodemdemping niet verandert als bron- en rekenpunt worden omgewisseld. In formule:

Dbodem(hs,hr) = Dbodem(hr,hs) | (4.11)

Als een combinatie van bron en rekenpunt binnen het grijs gemarkeerde gebied van figuur 4.2a ligt maar niet in het gegevensbestand voorkomt en ook niet als reciproque combinatie bestaat, zal voor deze combinatie de bodemdemping door interpolatie moeten worden bepaald. Hiervoor worden die vier punten gebruikt, die op de hoekpunten liggen van een rechthoek rond het te interpoleren punt [hs,hr] (zie figuur 4.2.b). De overdracht voor de gewenste combinatie van bronhoogte en hoogte van het rekenpunt wordt vervolgens gegeven volgens de formule:

(4.12)

met

waarbij wordt verstaan onder:

h s hoogte bronpunt boven plaatselijk maaiveld;

h r hoogte rekenpunt boven plaatselijk maaiveld;

h s,k , h r,n hoogte van bronpunt resp. rekenpunt voor (k,n) = (1,1), (1,2), (2,1), en (2,2) waarvan de combinatie wel in het gegevensbestand is opgenomen (zie figuur 4.2b).

Als een combinatie niet binnen het grijs gemarkeerde gebied van figuur 4.2a ligt, wordt de bodemdemping door extrapolatie bepaald met behulp van onderstaande relatie:

Dbodem(hs,hr) = Dbodem(15,hs) + Dbodem(15,hr) − Dbodem(15,15) | (4.13)

Als de hoogte van de bron of van het rekenpunt kleiner is dan 0,1 m moet 0,1 m worden aangehouden. Voor hoogten groter dan 50 m heeft dit gegevensbestand geen geldigheid meer.

Regeling
Omgevingsregeling
Afkortingen
Or
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
18-09-2026
BWB-id
BWBR0045528
Versie
2026-09-18_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl