wetzoeker

2.2.2 — Weersomstandigheden (meteoraam) Omgevingsregeling

Weersomstandigheden (meteoraam)

Door meteorologische invloeden kan de geluidoverdracht sterk variëren, met name bij afstanden ri > 50 m. Bij een afstand ri van minder dan of gelijk aan 50 m mag onder alle meteorologische omstandigheden gemeten worden. Dat geldt ook bij een ri van meer dan 50 meter als wordt voldaan aan ri < 10 (hb + hm). De weersomstandigheden mogen een betrouwbare werking van de apparatuur evenwel niet belemmeren. Metingen bij regen, sneeuw, mist of extreem lage temperatuur moeten om deze reden zoveel mogelijk worden vermeden. Ook metingen tijdens heldere dagen met hoge temperaturen moeten worden vermeden vanwege onbekende temperatuurseffecten op de geluidoverdracht door warmteafstraling. Ook mag windgeruis de metingen niet beïnvloeden. Als richtlijn geldt dat windgeruis tenminste 7 dB onder het signaal moet liggen.

Metingen op grotere afstanden moeten echter onder specifieke meteorologische omstandigheden worden verricht. Deze omstandigheden worden `meteoraamcondities' genoemd; de randvoorwaarden hierbij zijn in tabel 2.3 gedefinieerd.

Tabel 2.3 Meteoraam industrielawaai

Betreft | Toegestane windsnelheid op 10 m hoogte [m/s] | Toegestane maximum windhoek φ [°]

Meteorologische dag | oktober tot en met mei | > 1 | 60

juni tot en met september | > 2 | 60

Meteorologische nacht | meer dan 1/8 bewolkt | > 1 | 60

minder dan 1/8 bewolkt | > 0 | 60

Definities van grootheden die voor het vaststellen van het meteoraam van belang zijn:

– gemiddelde windsnelheid: de gemiddelde windsnelheid in het open veld (buiten het invloedsgebied van obstakels) op 10 m hoogte op of nabij de meetlocatie. De windsnelheid wordt bepaald uit metingen tussen 2 en 10 m hoogte. De gemeten snelheid op 2 m hoogte moet met 1,4 en de snelheid op 5 m hoogte met 1,2 vermenigvuldigd worden;

– gemiddelde windrichting: deze wordt gemeten buiten de invloed van obstakels in het vrije veld. De meethoogte kan vrij gekozen worden tussen 2 en 20 m;

– windhoek φ: hoek tussen de lijn van bron naar immissiepunt en de gemiddelde windrichting (zie figuur 2.2);

– meteorologische dag: periode tussen een uur na zonsopgang en een uur voor zonsondergang;

– meteorologische nacht: periode tussen een uur voor zonsondergang en een uur na zonsopgang.

De wijze waarop de meteocorrectieterm berekend moet worden, is uiteengezet in paragraaf 4.4.

Regeling
Omgevingsregeling
Afkortingen
Or
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
18-09-2026
BWB-id
BWBR0045528
Versie
2026-09-18_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl