4.1.2 — Werkwijze eenvoudige meetmethode (deel 1) Omgevingsregeling
Werkwijze eenvoudige meetmethode
Residueel geluid
De microfoon wordt met zijn gevoeligste richting omhoog georiënteerd. De meetpositie, de omgeving, de meetperiode en apparatuur moeten voldoen aan de voorwaarden uit paragraaf 4.1.1.
Meetwaarden (Leq per seconde of LE per event) waarbij kortstondig, dat wil zeggen enkele seconden of minuten, verstoring plaatsvindt door residueel geluid, worden buiten de bepaling van de uurgemiddelden gehouden. Herkenning van verstorende geluiden kan gebeuren op basis van spectrale of temporele kenmerken (fluitende vogels, vliegtuigen, sirenetest luchtalarm, tikkende vlaggenmasten, vuurwerk, en dergelijke).
De overige meetwaarden worden verwerkt tot uurwaarden, dat wil zeggen uurgemiddelde A-gewogen ruwe waarden L’ en uurgemiddelde waarden voor residueel geluid U. Voor het niveau van het residuele geluid kan de L90 of L95 worden gebruikt.
Markeren en stratificeren
Uurwaarden worden als verstoord beschouwd en buiten beschouwing gelaten als een of meer van onderstaande situaties zich voordoen:
• overmatig residueel geluid, dat wil zeggen uurwaarden met L’ – Lres < 5 dB;
• regen (>1,0 mm neerslag per uur);
• verstoring door windgeruis (direct of indirect zoals door het ritselen van bladeren);
• niet-representatieve geluidoverdracht (sneeuwdek, dichte mist, extreem lage of hoge temperaturen).
Als richtlijn voor verstoring door windgeruis op de microfoon met een 90 mm windbol gelden de volgende toegestane windsnelheden Wmax.
Tabel 4.1 Toegestane windsnelheid op microfoonhoogte (richtwaarden)
Passageniveau (LA,max) groter dan | [dB(A)] | 40 | 50 | 60 | 70
W max | [m/s] | 4 | 6 | 8 | 11
Uren tijdens welke een hogere uurgemiddelde windsnelheid dan Wmax aanwezig is, worden als verstoord beschouwd. Om Wmax uit de tabel af te kunnen lezen moet het (gemiddelde) passageniveau (LA,max) voor de microfoonpositie op de meetlocatie bekend zijn. Als dat passageniveau niet uit de meetgegevens zelf kan worden afgeleid, kan het geschat worden, bijvoorbeeld met behulp van vergelijkbare metingen van elders of met berekeningen op basis van een geschikt rekenmodel
De volgende meteogegevens zijn van belang: windrichting, windsnelheid, neerslag, temperatuur en relatieve luchtvochtigheid. Deze worden bij voorkeur van een eigen meetstation op de meetlocatie betrokken. Als geen eigen neerslagwaarden beschikbaar zijn, worden registraties van de KNMI-neerslagradars gebruikt. Als ook die niet beschikbaar zijn, worden uurgegevens van de twee of drie meest nabije KNMI-weerstations of gelijkwaardig gebruikt, waarbij voor elk uur het maximale neerslagniveau (mm) van die weerstations wordt gebruikt, als worst-case benadering voor de geluidmeetlocatie.
De uurwaarden voor L’ en Lres die worden meegenomen in de analyse worden op de volgende wijze gecorrigeerd voor het aandeel residueel geluid:
(4.1)
Meteostratificatie
Op basis van de meewindcomponent Vmee van de windsnelheid Vwind, gemeten op 10 m hoogte, moet per uur worden bepaald van welke meteoklasse M1 tot en met M4 sprake is. Als φ de hoek is tussen de windrichting en de dominante voortplantingsrichting vanuit de geluidbron (dat is meestal de kortste verbindingslijn tussen de spoorweg en de meetpositie), wordt deze component gegeven door:
V mee = V wind cos (φ) | (4.2)
De meteoklassen hangen af van de meteorologische dag en nacht, en van de meewindcomponent zoals in tabel 4.2 aangegeven.
Tabel 4.2 Meteoklassen eenvoudige methode
Meteoklasse | Omschrijving | Overdag | ’s Nachts
M1 | ongunstig | V mee< 1 m/s | V mee < -1 m/s
M2 | homogeen | 1 m/s ≤ Vmee < 3 m/s | n.v.t.
M3 | gunstig | 3 m/s ≤ Vmee ≤ 6 m/s | n.v.t.
M4 | zeer gunstig | V mee > 6 m/s | V mee ≥ -1 m/s
De mate waarin deze meteoklassen tijdens de meetperiode optreden, zal in het algemeen afwijken van de langtijdgemiddelde optreedfrequentie van deze meteoklassen. Om een representatieve Lden-waarde te bepalen, is het nodig om de metingen te corrigeren voor het verschil tussen de optreedfrequentie in de meetperiode en de langtijdgemiddelde optreedfrequentie. Daartoe wordt van elke meetdag k het energetisch gemiddelde geluidniveau Lp,m,k per etmaalperiode en per meteoklasse bepaald over de uurwaarden. Daarin geeft de index p de drie etmaalperioden aan (dag 07.00–19.00 uur, avond 19.00–23.00 uur, nacht 23.00–07.00 uur) en de index m de vier meteoklassen (M1, M2, M3 en M4).
Daarnaast wordt de fractie qp,m,k berekend. Deze is gedefinieerd als het aantal geldige meeturen per meteoklasse m, gedeeld door het aantal geldige uren van die etmaalperiode. Per etmaalperiode (p) van elke meetdag (k) geldt ∑mqp,m,k = 1.
Het equivalente geluiddrukniveau per etmaalperiode en per meteoklasse, aangeduid met Lp,m, wordt over de gehele meetperiode bepaald met weging naar qp,m,k:
(4.3)
waarin Qp,m als volgt is gedefinieerd:
Qp,m = ∑kqp,m,k.
Deze met qp,m,k gewogen energetische middeling van geluidwaarden is nodig om de bijdragen van onafhankelijke metingen correct te verwerken. Alleen metingen afkomstig uit verschillende etmalen gelden meteorologisch als onafhankelijk van elkaar. Het totale aantal bijdragende etmalen kan worden berekend door Qp,m te sommeren over de meteoklassen: ΣmQp,m.
Voor de standaardafwijking up,m die de onzekerheid in de emissie representeert voor Lp,m, geldt dat alle Lp,m,k onafhankelijke metingen betreffen. De standaardafwijking up,m kan daarom als volgt worden berekend:
(4.4)
waarin Sp,m wordt bepaald door
(4.5)
Verwerking meetresultaat per periode
Voor het extrapoleren van de meetresultaten naar een jaargemiddelde waarde is het noodzakelijk de langtijdgemiddelde optreedfrequenties foptreed,p, m van de verschillende meteoklassen in elke etmaalperiode te kennen. De optreedfrequentie wordt in tabel 4.3 opgezocht bij de betrokken etmaalperiode p en bij de sectorhoek die van toepassing is op de meetsituatie. Voor meetlocaties op grotere afstand van De Bilt kan een eigen langtijdgemiddelde worden bepaald op basis van uurgegevens van een nabijgelegen KNMI-meetstation over een recente periode van ten minste 20 jaar.
Tabel 4.3 Optreedfrequentie foptreed per sectorhoek van de meewindcomponent in De Bilt (1989–2018)
1 0° representeert een meewindrichting van noord naar zuid, 90° van oost naar west, etcetera.
sectorhoek (°) | p=dag | p=avond; p=nacht
‘van’ – ‘t/m’ | M1 | M2 | M3 | M4 | M1 | M2 | M3 | M4
350 – 10 | 0,7 | 0,2 | 0,1 | 0,0 | 0,5 | 0,0 | 0,0 | 0,5
10 – 30 | 0,7 | 0,2 | 0,1 | 0,0 | 0,5 | 0,0 | 0,0 | 0,5
30 – 50 | 0,8 | 0,1 | 0,1 | 0,0 | 0,5 | 0,0 | 0,0 | 0,5
50 – 70 | 0,8 | 0,1 | 0,1 | 0,0 | 0,5 | 0,0 | 0,0 | 0,5
70 – 90 | 0,8 | 0,1 | 0,1 | 0,0 | 0,5 | 0,0 | 0,0 | 0,5
90 – 110 | 0,7 | 0,2 | 0,1 | 0,0 | 0,4 | 0,0 | 0,0 | 0,6
110 – 130 | 0,7 | 0,2 | 0,1 | 0,0 | 0,4 | 0,0 | 0,0 | 0,6
130 – 150 | 0,6 | 0,2 | 0,1 | 0,1 | 0,3 | 0,0 | 0,0 | 0,7
150 – 170 | 0,6 | 0,2 | 0,1 | 0,1 | 0,3 | 0,0 | 0,0 | 0,7
170 – 190 | 0,5 | 0,2 | 0,2 | 0,1 | 0,3 | 0,0 | 0,0 | 0,7
190 – 210 | 0,5 | 0,2 | 0,2 | 0,1 | 0,3 | 0,0 | 0,0 | 0,7
210 – 230 | 0,5 | 0,2 | 0,2 | 0,1 | 0,3 | 0,0 | 0,0 | 0,7
230 – 250 | 0,5 | 0,2 | 0,2 | 0,1 | 0,3 | 0,0 | 0,0 | 0,7
250 – 270 | 0,5 | 0,2 | 0,2 | 0,1 | 0,3 | 0,0 | 0,0 | 0,7
270 – 290 | 0,5 | 0,2 | 0,2 | 0,1 | 0,3 | 0,0 | 0,0 | 0,7
290 – 310 | 0,5 | 0,2 | 0,2 | 0,1 | 0,3 | 0,0 | 0,0 | 0,7
310 – 330 | 0,7 | 0,2 | 0,1 | 0,0 | 0,4 | 0,0 | 0,0 | 0,6
330 – 350 | 0,7 | 0,2 | 0,1 | 0,0 | 0,4 | 0,0 | 0,0 | 0,6
Het jaargemiddelde geluidniveau per etmaalperiode, Lp, wordt als volgt bepaald:
(4.6)
De totale meetonzekerheid voor Lp bedraagt:
(4.7)
waarin de gevoeligheidscoëfficiënten cp,m zijn gedefinieerd als
(4.8)
en waarin de overige bronnen van meetonzekerheid als volgt zijn bepaald:
– u wind is de onzekerheid door het schrappen van uurwaarden met te harde wind. Ook het geluid in die geschrapte periodes draagt bij aan het totale geluid in de gemeten situatie. Hiervoor geldt: uwind = (6/Wmax)2 [dB].
- Regeling
- Omgevingsregeling
- Afkortingen
- Or
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 18-09-2026
- BWB-id
- BWBR0045528
- Versie
- 2026-09-18_0