wetzoeker

6.2 — Opsporing Aanwijzing kader voor tenuitvoerlegging

Opsporing

De verantwoordelijkheid van de minister voor de tenuitvoerlegging laat het gezag van het OM over de politie onverlet. Onder dit gezag valt de sturing van opsporingsactiviteiten ten behoeve van de tenuitvoerlegging. Wanneer het CJIB/AICE namens de minister lasten aan de politie geeft, zoals de opdracht een veroordeelde aan te houden, zal de politie vanuit die verantwoordelijkheid door de minister worden aangestuurd. Het gezag over de politie blijft echter bij het OM rusten voor zover de politie optreedt ter strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. De enkele uitvoering van een last tot aanhouding en de sturing hierop – het aanbellen bij een bepaald adres, iemand ophalen met het oog op toepassing van het dwangmiddel gijzeling, et cetera – betreft nog geen opsporing. Op enig moment is in de uitvoering evenwel een omslagpunt te markeren naar activiteiten die zich naar hun aard wel als zodanig laten kenmerken. Daarvan is in ieder geval sprake bij toepassing van (bijzondere) opsporingsbevoegdheden. Waar aanhouding vraagt om opsporing, zal de sturing overgaan van de minister naar het OM.

Wat betreft opsporingsbevoegdheden moet met name worden gedacht aan de bevoegdheden die met de tenuitvoerlegging belaste opsporingsambtenaren kunnen toepassen om de verblijfplaats vast te stellen van de persoon die moet worden aangehouden om zijn straf te ondergaan (artikel 6:1:7 Sv e.v.). Het betreft een deelverzameling van de (bijzondere) opsporingsbevoegdheden die in het kader van de opsporing (in brede zin) kunnen worden ingezet. Omdat deze bevoegdheden ingrijpen in het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokkenen, is het veelal de officier van justitie die (na machtiging van de rechter-commissaris) het bevel geeft tot de inzet ervan. Daarnaast gaat het om de opsporingsbevoegdheden die op bevel van de officier van justitie kunnen worden ingezet ten behoeve van het onderzoek naar het vermogen van een veroordeelde in het kader van een ontnemingsmaatregel (artikel 6:4:11 Sv, zie par. 6.3).

Voor bijzondere bevoegdheden die ten behoeve van de executie worden ingezet geldt geen ondergrens voor wat betreft het strafrestant, behoudens de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit dan wel grenzen gesteld door regelgeving en jurisprudentie. De inzet van bijzondere bevoegdheden heeft met name ten doel de vindplaats van de veroordeelde te achterhalen met het oog op aanhouding van de veroordeelde dan wel de overdracht van executie of het achterhalen van vermogen van de veroordeelde bij ontnemingsmaatregelen (zie ook par 6.3).

Regeling
Aanwijzing kader voor tenuitvoerlegging
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
01-03-2021
BWB-id
BWBR0044656
Versie
2021-03-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl