wetzoeker

6.1.1 — Contra-indicaties Aanwijzing kader voor tenuitvoerlegging

Contra-indicaties

Het (indienen van een vordering tot) gijzelen blijft achterwege indien

– De bestrafte/veroordeelde nog geen zestien jaar is;

– De bestrafte/veroordeelde aannemelijk heeft gemaakt – of het CJIB in het innings- en incassotraject duidelijk is geworden – dat hij buiten staat is om de geldelijke sanctie te voldoen; of

– De noodzaak om tot gijzeling over te gaan anderszins onvoldoende is onderbouwd door het CJIB.

Met betrekking tot de laatstgenoemde criteria: gijzeling heft de verplichting tot betaling niet op. Gijzeling is enkel zinvol als andere, minder ingrijpende, middelen om tot inning te komen aantoonbaar niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Van het CJIB wordt verwacht dat het inzicht geeft in het innings- en incassotraject (inclusief een verstuurde waarschuwingsbrief en eventuele reactie van betrokkene daarop). Gijzeling wordt namelijk niet toegepast als de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij niet kan betalen (vgl. art. 6:4:20, derde lid Sv en 6:6:25, zesde lid Sv). De bewijslast ligt hierbij primair bij de veroordeelde. Het CJIB betrekt dit bij de onderbouwing van zijn verzoek aan het OM. Het CJIB houdt bij zijn verzoek rekening met bovengenoemde contra-indicaties. Indien het verzoek niet de vorm heeft van een concept-beslissing of -vordering blijft behandeling achterwege.

Een verkregen machtiging of beslissing van het OM over de toepassing van het dwangmiddel wordt verstrekt aan de minister (CJIB), die vervolgens zorg draagt voor de nodige verificaties en te geven lasten. De minister is verantwoordelijk voor de uitvoering. Hij kan de gijzeling te allen tijde beëindigen.

Regeling
Aanwijzing kader voor tenuitvoerlegging
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
01-03-2021
BWB-id
BWBR0044656
Versie
2021-03-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl