wetzoeker

3 — Btw-heffing bij vaste inrichting en hoofdhuis Omzetbelasting, vaste inrichting

Btw-heffing bij vaste inrichting en hoofdhuis

Uitgangspunt is dat er tussen het hoofdhuis en een vaste inrichting geen prestaties plaatsvinden in het economisch verkeer omdat zij samen één ondernemer vormen.

1 zie het eerder aangehaalde FCE Bank-arrest.

De uitzondering op dit uitgangspunt vormt de situatie dat het hoofdhuis of de vaste inrichting deel uitmaakt van een fiscale eenheid in een lidstaat. Prestaties tussen een tot zo’n fiscale eenheid behorend hoofdhuis of vaste inrichting en een buiten die lidstaat gevestigde vaste inrichting respectievelijk hoofdhuis zijn dan onderworpen aan de heffing van btw. Uit de jurisprudentie van het HvJ volgt namelijk dat een fiscale eenheid in een lidstaat territoriaal is begrensd.

2 HvJ 17 september 2014, C-7/13 (Skandia) ECLI:EU:C:2014:2225 en HvJ 11 maart 2021, C-812/19 (Danske Bank) ECLI:EU:C:2021:196.

Dit houdt in dat tot een fiscale eenheid in een lidstaat alleen kunnen behoren ondernemers die in die lidstaat zijn gevestigd en een vaste inrichting in diezelfde lidstaat van een ondernemer die buiten die lidstaat is gevestigd. Het HR-arrest van 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6434, heeft in verband hiermee zijn belang verloren voor de beoordeling van de omvang van de fiscale eenheid in Nederland.

Regeling
Omzetbelasting, vaste inrichting
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
01-01-2024
BWB-id
BWBR0044522
Versie
2024-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl