wetzoeker

Artikel 2.35 Wet voortgezet onderwijs 2020

Inrichting van het voortgezet onderwijs

1 Het bevoegd gezag van een openbare school stelt op aanvraag van kerkelijke gemeenten of van plaatselijke kerken de leerlingen van wie de ouders dat wensen, in de gelegenheid om in de school godsdienstonderwijs te volgen van godsdienstleraren die deze gemeenten of kerken daarvoor hebben aangewezen. De schoollokalen worden, zo nodig verwarmd en verlicht, kosteloos beschikbaar gesteld. Met kerkelijke gemeenten worden voor de toepassing van de eerste volzin gelijkgesteld verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid die zich volgens hun statuten het geven of doen geven van godsdienstonderwijs als doel stellen.

2 Het bevoegd gezag van een openbare school stelt op aanvraag van genootschappen op geestelijke grondslag die Onze Minister daarvoor aanwijst, de leerlingen van wie de ouders dat wensen, in de gelegenheid om in de school levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te volgen van leraren die deze genootschappen daarvoor hebben aangewezen. De schoollokalen worden, zo nodig verwarmd en verlicht, kosteloos beschikbaar gesteld.

3 Bij een geschil over het vaststellen van lessen of het beschikbaar stellen van ruimten van openbare scholen beslist Onze Minister.

4 Het bevoegd gezag ziet erop toe dat het onderwijs alleen wordt gegeven door een leraar die volgens een schriftelijke verklaring daarover van de aanwijzende kerkelijke gemeente, plaatselijke kerk of het aanwijzend genootschap op geestelijke grondslag:

a. voldoet aan de bekwaamheidseisen die krachtens artikel 7.10, eerste lid, voor het geven van dat onderwijs zijn gesteld; en

b. zijn bekwaamheid onderhoudt.

5 Dit artikel is ook van toepassing op het praktijkonderwijs.

Regeling
Wet voortgezet onderwijs 2020
Afkortingen
WVO 2020
Soort
Wet
Geldend vanaf
01-08-2026
BWB-id
BWBR0044212
Versie
2026-08-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl