7.2.2 — Het inrichten van het EOS (deel 1) Circulaire risicobeheersing lithium-ion energiedragers
Het inrichten van het EOS
Modulaire indeling en incidentbescherming
Mogelijk onderdeel van een maatregelenpakket (in het kort): – materialen die geen bijdrage leveren aan de brandvoortplanting – compartimentering per module of andere voorbereidingen om een incident te bestrijden / stortzkoppeling – IEC of vergelijkbaar hanteren – klimaatbeheersing – bliksemafleidingssysteem – aanrijbeveiliging – thermisch detectiessyteem en koolmonixidemelder en doormelding – overloopinrichting voor bluswater – voorzieningen voor afvoer bluswater – inpandige EOS: voorzieningen voor afvoeren gifwolk
In dat verband wordt geadviseerd de installatieruimte te vervaardigen van materialen die geen bijdrage leveren aan de brandvoortplanting.
Aanbevolen wordt het ontwerp van een EOS zodanig vorm te geven dat een oververhitting en/of zelfontbranding van een energiedrager zich beperkt tot de grenzen van één batterijmodule
10 Een batterijmodule (energiegebied: 2-20 kWh) is een samenstel van een aantal batterijen. Afzonderlijke batterijen zijn weer opgebouwd uit een of meer cellen (energiegebied: 2-10Wh) inclusief BMS.
. Een module heeft daarbij een capaciteit van maximaal 15 à 20 kWh. Deze eisen zijn voor industriële toepassingen, zoals een EOS, opgenomen in IEC 62619
11 NEN-EN-IEC 62619:2017: Secondary cells and batteries containing alkaline or other non-acid electrolytes – Safety requirements for secondary lithium cells and batteries, for use in industrial applications.
. Deze standaard bevat eisen omtrent de veiligheidsfuncties en het gedrag van het systeem bij mogelijk verkeerd gebruik. Ook beschrijft deze standaard een brandpropagatietest, waarbij moet worden aangetoond dat een brand die veroorzaakt wordt door (zelf)ontbranding van een enkele cel zich niet uitbreidt tot voorbij een vooraf te bepalen systeemgrens. De typetest vindt derhalve plaats op het niveau van de module, inclusief eventuele scheidingsschotten tussen de modules.
In de huidige versie van de standaard is het nog toegestaan om deze test niet uit te voeren wanneer de cellen bestand blijken tegen een productiefout die interne kortsluiting veroorzaakt. De ervaring heeft evenwel geleerd dat branden in EOS meestal worden veroorzaakt door factoren buiten de cellen zelf, en slechts in ondergeschikte mate door productiefouten in de cel zelf. Daarom schrijft de (concept
12 Bij de publicatie van deze circulaire is deze norm nog in de conceptfase. Mogelijk wordt deze nog gedurende de looptijd van de circulaire definitief.
) IEC 62933-5-2 de propagatietest voor en is het de verwachting dat in een toekomstige editie van IEC 62619 de mogelijkheid om de propagatietest over te slaan is verwijderd. Aan vereisten wordt in ieder geval voldaan als de IEC 62619 en de IEC 62933-5-2 worden nagevolgd. Dit laatste vooruitlopend op de toepassing van IEC 62933-5-2 in de IEC 62619. Na het installeren en voorafgaand aan de ingebruikname van een netgebonden EOS schrijft de (concept) IEC 62933-5-2 voor dat het systeem door brandweer en relevante overheidsinstellingen moet kunnen worden geïnspecteerd, en dat bij deze inspectie de definitieve versie van de veiligheidsinformatie over het systeem aan hulpverleners wordt overgedragen als dit nog niet eerder is gebeurd. Ook kan deze inspectie als voorwaarde worden opgenomen bij het verlenen van een omgevings- of andere vergunning. Geadviseerd wordt de mogelijkheid tot inspectie door brandweer en overheidsinstellingen te bieden en de veiligheidsinformatie ter beschikking te stellen aan de hulpverleners.
Door een adequate klimaatbeheersing, cq ventilatie kan oververhitting van de ruimte waarin het EOS is geplaatst worden voorkomen of beperkt. De aanwezigheid van een klimaatbeheerssysteem kan er overigens toe leiden dat een EOS als een inrichting gezien moet worden indien er een gezamenlijk vermogen van de elektromotoren van meer dan 1,5 kW geïnstalleerd is. Dit op basis van het Besluit omgevingsrecht (Bor), bijlage I, categorie 1.1 onder a. Dit betekent dat er een meldingsplicht geldt voor die EOS. Dit geldt, op grond van het Bor, bijlage I, onder 1.2 onder b weer niet als de elektromotoren, die in een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd, ten behoeve van dat gebouw worden aangewend.
Geadviseerd wordt de EOS te voorzien van een bliksemafleidingssysteem dat voldoet aan IEC 62305-3 niveau III of IV, afhankelijk van de functie van het deel dat de EOS van energie voorziet.
Indien de EOS binnen 10 meter van een openbare weg is gesitueerd wordt geadviseerd een doeltreffende aanrijdbeveiliging te realiseren. Wanneer een mobiele EOS wordt toegepast bij bijvoorbeeld evenementen, bouw- en infraprojecten waarbij het risico bestaat dat de EOS kan worden aangereden wordt geadviseerd eveneens een doeltreffende aanrijdbeveiliging te realiseren.
Een thermisch detectiesysteem zorgt voor een snelle melding bij het ontstaan van een oververhitting. Een koolmonoxide melder reageert op het vrijkomen van koolmonoxide, ten gevolge van brand en daarmee wordt ook duidelijk dat andere giftige stoffen zoals waterstoffluoride en lithiumhydroxide vrijkomen. Daarbij detecteert een kruisgevoelige koolmonoxidemelder ook in een vroeg stadium vrijkomend waterstofgas. Om die reden worden beide systemen aangeraden, inclusief een doormelding naar een PAC. In geval van een mobiele EOS wordt geadviseerd eveneens een telefonische doormelding te laten plaatsvinden naar diegene die hier toezicht op houdt. Bij evenementen is dit iemand van de evenementenorganisatie en bij bouw en infra projecten is dit een uitvoerder. Dit om in geval van een (dreigend) incident tijdig handelend te kunnen optreden.
Voor gevallen waar het tegengaan van de brandpropagatie buiten de modules niet is geregeld wordt geadviseerd alternatieve voorbereidingen te (laten) treffen om een incident te bestrijden. Daarbij kan het gaan om water als blus- of koelmiddel of bijvoorbeeld het gebruik van aerosolen. De installatie moet daarbij gecertificeerd zijn en aantoonbaar een lithium-ion brand in een beginstadium kunnen beheersen.
Als ‘last-line-of-defence’ kan het energiedragerscompartiment van een EOS worden voorzien van een 3’ Stortzkoppeling (nok81)) waarop de brandweer een koel-/bluswateraansluiting kan realiseren. Daarbij zou aan de binnenzijde van het batterijencompartiment een droge blusleiding boven het batterijpakket uit moeten komen, zodat een vergelijkbare werking als met een sprinklerkop van een sprinklerinstallatie wordt verkregen. Voor gevallen waarbij voldoende aangetoond kan worden dat er geen brandpropagatie buiten de hier bedoelde module kan plaatsvinden wordt in deze circulaire geen advies opgenomen met betrekking tot het aanbrengen van een Stortzkoppeling. Besluitvorming daarover wordt overgelaten aan de PGS-37 werkgroep of overleg tussen een individuele initiatiefnemer en de brandweer.
Daar waar een koppeling wordt aangebracht wordt, om het overtollige koel- of bluswater te kunnen kwijtraken, geadviseerd het compartiment te voorzien van een overloopinrichting die tenminste het aangeboden water kan afvoeren (1.000 liter per minuut). Deze overloopinrichting wordt dan aangebracht minimaal 10 cm boven het hoogste punt van gemonteerde energiedragers. Aandachtspunt is dat bijvoorbeeld ventilatieopeningen in de EOS zodanig worden gerealiseerd, al dan niet met een technische voorziening, dat het onder water zetten van het batterijencompartiment in de praktijk ook mogelijk is. Erkend wordt dat dit voor met name bestaande situaties lastig kan zijn. Voor die gevallen wordt overleg tussen de beheerder en het bevoegd gezag, cq de brandweer aangeraden.
- Regeling
- Circulaire risicobeheersing lithium-ion energiedragers
- Soort
- Circulaire
- Geldend vanaf
- 01-07-2020
- BWB-id
- BWBR0043769
- Versie
- 2020-07-01_0