wetzoeker

Artikel 4.35 Invoeringswet Omgevingswet

Overgangsbepalingen Erfgoedwet en Monumentenwet 1988

1 Een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, geldt als een instructie als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet, waardoor in het omgevingsplan blijvend wordt voorzien in een beschermingsregime voor het stads- of dorpsgezicht dat is omschreven in die aanwijzing.

2 Tot het omgevingsplan onherroepelijk voorziet in:

a. een verbod op het slopen van in ieder geval de bouwwerken van een stads- of dorpsgezicht die maken dat de groep van onroerende zaken van algemeen belang is wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde, en

b. op de karakteristieken van het beschermde stads- of dorpsgezicht afgestemde beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit,

is voor het slopen een vergunning vereist voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet en is de weigeringsgrond, bedoeld in artikel 2.16 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van overeenkomstige toepassing.

3 Als een aanwijzing of intrekking als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, niet van kracht is, blijft het oude recht van toepassing als voor de inwerkingtreding van afdeling 2.5 van de Omgevingswet een voorstel als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, is verzonden.

Regeling
Invoeringswet Omgevingswet
Soort
Wet
Geldend vanaf
01-07-2026
BWB-id
BWBR0043660
Versie
2026-07-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl