wetzoeker

2 — Uitgangspunten Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken

Uitgangspunten

2.1. Getuigen hebben in beginsel de plicht om een getuigenverklaring voor de rechter af te leggen indien zij daartoe worden opgeroepen, zonder dat zij aanspraak kunnen maken op enige toezegging of tegemoetkoming van het OM. Slechts bij uitzondering (indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert) kan het doen van een toezegging worden overwogen.

2.2. Bij het doen van een toezegging houdt de officier van justitie rekening met de vereisten van proportionaliteit, subsidiariteit, zorgvuldigheid en interne openbaarheid.

2.3. Het opportuniteitsbeginsel is ook ten aanzien van kroongetuigen onverkort van kracht. Dit betekent dat de officier van justitie ook ten aanzien van deze getuigen, indien zij tevens verdachten zijn, met inachtneming van het bestaande beleid bevoegd is eenzijdig vervolgingsbeslissingen te nemen, zoals een sepot of een strafbeschikking. Dergelijke eenzijdige beslissingen kunnen niet worden aangemerkt als een toezegging in de zin van artikel 226g Sv. Datzelfde geldt voor een eenzijdige beslissing om af te zien van het indienen van een ontnemingsvordering.

2.4. Het staat de officier van justitie bovendien vrij een schikking met betrekking tot de ontnemingsvordering met de verdachte of veroordeelde aan te gaan op grond van artikel 511c Sv. Een dergelijke schikking kan geen onderdeel zijn van een afspraak als bedoeld in artikel 44a Sr, maar de officier van justitie dient de rechter-commissaris wel over de totstandkoming en de inhoud van die schikking te informeren.

2 HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:600 (Liquidatieproces Passage), r.o. 3.10.

2.5. Toezeggingen in verband met de feitelijke bescherming van de getuige maken geen deel uit van de in artikel 226g, eerste lid, Sv bedoelde afspraak. Zij behoren ook niet tot het gunstbetoon waarvan op grond van artikel 226g, vierde lid, Sv proces-verbaal moet worden opgemaakt.

3 HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:600 (Liquidatieproces Passage), r.o. 3.10.

2.6. Aan een getuige aan wie een toezegging wordt gedaan, moet een reëel voordeel in het vooruitzicht worden gesteld. Als de officier van justitie met toepassing van de hem toekomende bevoegdheden een beslissing neemt die hij in een ander geval met inachtneming van het bestaande beleid ook zou hebben genomen, is er geen sprake van een reëel voordeel.

2.7. Maatregelen tot het treffen van getuigenbescherming zullen veelal door de getuige worden verlangd, maar dienen los te worden gezien van de onderhandelingen en totstandkoming van de toezegging. De maatregelen ter fysieke beveiliging kunnen worden getroffen indien daartoe de noodzaak en de mogelijkheid bestaat, ook als geen overeenstemming wordt bereikt over de toezegging en het niet tot een afspraak komt. Wel is mogelijk dat in de overeenkomst met de getuige wordt opgenomen dat de officier van justitie het treffen van de nodige maatregelen op grond van het Besluit getuigenbescherming zal bevorderen.

Regeling
Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
01-06-2020
BWB-id
BWBR0043568
Versie
2020-06-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl