wetzoeker

Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet

Wet van 14 maart 2020 tot wijziging van de Omgevingswet en enkele andere wetten vanwege opname in de Omgevingswet van regels over het vestigen van een voorkeursrecht, regels over onteigening, bijzondere regels voor het inrichten van gebieden en, met het oog op verschillende typen gebiedsontwikkelingen, een verdere aanpassing van de regels over kostenverhaal (Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet)

Soort
Wet
Geldend vanaf
01-07-2026
Rechtsgebied
Omgevingsrecht, Ruimtelijke ordening en milieu
Ministerie
Infrastructuur en Waterstaat
BWB-id
BWBR0043371
Versie
2026-07-01_0
SHA-256 bron
09ee4961cea833cba9dbe64dc4248c04b934137745fc2d2f3db67f820fdc78f0

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (36)
  1. Artikel 1.1
  2. Artikel 2.0
  3. Artikel 2.0a
  4. Artikel 2.0b
  5. Artikel 2.1
  6. Artikel 2.2
  7. Artikel 2.3
  8. Artikel 2.4
  9. Artikel 2.4a
  10. Artikel 2.5
  11. Artikel 2.6
  12. Artikel 2.6a
  13. Artikel 2.7
  14. Artikel 2.8
  15. Artikel 2.9
  16. Artikel 2.10
  17. Artikel 2.11
  18. Artikel 3.1
  19. Artikel 3.2
  20. Artikel 3.3
  21. Artikel 4.1
  22. Artikel 4.2
  23. Artikel 4.3
  24. Artikel 4.4
  25. Artikel 4.4a
  26. Artikel 4.5
  27. Artikel 4.6
  28. Artikel 4.7
  29. Artikel 4.8
  30. Artikel 4.9
  31. Artikel 4a.1
  32. Artikel 4a.2
  33. Artikel 4a.3
  34. Artikel 4a.4
  35. Artikel 5.1
  36. Artikel 5.2

Hoofdstuk 1 — Aanvulling en wijziging van de Omgevingswet

Artikel 1.1

Wijzigt de Omgevingswet.

Hoofdstuk 2 — Wijziging van andere wetten

Artikel 2.0

Wijzigt de Aanvullingswet geluid Omgevingswet.

Hoofdstuk 2 — Wijziging van andere wetten

Artikel 2.0a

Wijzigt de Aanvullingswet bodem Omgevingswet.

Hoofdstuk 2 — Wijziging van andere wetten

Artikel 2.0b

Wijzigt de Aanvullingswet natuur Omgevingswet.

Hoofdstuk 2 — Wijziging van andere wetten

Artikel 2.1

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 2 — Wijziging van andere wetten

Artikel 2.2

Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6 en Boek 7.

Hoofdstuk 2 — Wijziging van andere wetten

Artikel 2.3

Wijzigt de Financiële-verhoudingswet.

Hoofdstuk 2 — Wijziging van andere wetten

Artikel 2.4

Wijzigt de Gemeentewet.

Hoofdstuk 2 — Wijziging van andere wetten

Artikel 2.4a

Wijzigt de Invoeringswet Omgevingswet.

Hoofdstuk 2 — Wijziging van andere wetten

Artikel 2.5

Wijzigt de Kadasterwet.

Hoofdstuk 2 — Wijziging van andere wetten

Artikel 2.6

Wijzigt de Onteigeningswet.

Hoofdstuk 2 — Wijziging van andere wetten

Artikel 2.6a

Wijzigt de Spoorwegwet.

Hoofdstuk 2 — Wijziging van andere wetten

Artikel 2.7

Wijzigt de Vorderingswet.

Hoofdstuk 2 — Wijziging van andere wetten

Artikel 2.8

Wijzigt de Wet algemene regels herindeling.

Hoofdstuk 2 — Wijziging van andere wetten

Artikel 2.9

Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer.

Hoofdstuk 2 — Wijziging van andere wetten

Artikel 2.10

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Hoofdstuk 2 — Wijziging van andere wetten

Artikel 2.11

Wijzigt de Wet op het financieel toezicht.

Hoofdstuk 3 — Intrekking van wetten

Artikel 3.1

De Wet agrarisch grondverkeer wordt ingetrokken.

Hoofdstuk 3 — Intrekking van wetten

Artikel 3.2

De Wet inrichting landelijk gebied wordt ingetrokken.

Hoofdstuk 3 — Intrekking van wetten

Artikel 3.3

De Wet voorkeursrecht gemeenten wordt ingetrokken.

Hoofdstuk 4 — Overgangsrecht

Artikel 4.1

1 Als voor de inwerkingtreding van deze wet op basis van de Wet voorkeursrecht gemeenten een besluit tot voorlopige aanwijzing van gronden of een besluit tot aanwijzing van gronden is genomen, blijft het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.

2 Als voor de inwerkingtreding van deze wet een besluit als bedoeld in artikel 10, zesde lid, of 12, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten is genomen, blijft het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.

3 Als voor de inwerkingtreding van deze wet een rechtsgeding met betrekking tot een op basis van de Wet voorkeursrecht gemeenten onherroepelijk gevestigd voorkeursrecht aanhangig is, blijft het oude recht van toepassing tot het rechtsgeding onherroepelijk is afgerond.

4 Als voor de inwerkingtreding van deze wet een vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 25 van de Wet voorkeursrecht gemeenten bij de gemeente, de provincie of de Staat is ingediend, blijft het oude recht van toepassing tot het tijdstip waarop een vonnis over die vordering in kracht van gewijsde is gegaan en, bij toewijzing van die vordering, de schade volledig is vergoed.

Hoofdstuk 4 — Overgangsrecht

Artikel 4.2

1 Een onherroepelijk voorkeursrecht, gevestigd op grond van artikel 2 in samenhang met artikel 3, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten geldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.

2 Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 2 in samenhang met artikel 4, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten geldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder b, van de Omgevingswet of als een voorkeursrecht op grond van een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening zolang nog geen gemeentelijke omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Omgevingswet is vastgesteld.

3 Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 2 in samenhang met artikel 5, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten geldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, onder c, van de Omgevingswet.

4 Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 6 van de Wet voorkeursrecht gemeenten geldt als een voorkeursrecht op basis van artikel 9.1, tweede lid, van de Omgevingswet.

5 Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 9a, eerste lid, eerste zin, van de Wet voorkeursrecht gemeenten geldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

6 Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 9a, eerste lid, derde zin, van de Wet voorkeursrecht gemeenten geldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, tweede lid, van de Omgevingswet.

7 Een onherroepelijk voorkeursrecht gevestigd op grond van artikel 9a, tweede lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten geldt als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

Hoofdstuk 4 — Overgangsrecht

Artikel 4.3

Als op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet vijf jaar of meer zijn verstreken nadat een voorkeursrecht, gevestigd op grond van artikel 2 in samenhang met artikel 3, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten respectievelijk artikel 9a, eerste lid, eerste zin, in samenhang met artikel 3, eerste lid, van die wet is ingegaan, vervalt het voorkeursrecht van rechtswege als tien jaar zijn verstreken na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan respectievelijk het inpassingsplan waarop het voorkeursrecht is gebaseerd.

Hoofdstuk 4 — Overgangsrecht

Artikel 4.4

1 Als voor de inwerkingtreding van deze wet een verzoek tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 62, eerste lid, 72a, eerste lid, 72b, eerste lid, 72c, tweede lid, 78, eerste lid, en 122, tweede lid, van de onteigeningswet is ingediend, blijft het oude recht van toepassing.

2 Als voor de inwerkingtreding van deze wet een rechtsgeding met betrekking tot een voltooide onteigening op grond van de onteigeningswet aanhangig is, blijft het oude recht van toepassing tot het tijdstip waarop het vonnis kracht van gewijsde heeft gekregen en ten uitvoer is gebracht.

3 In een geval als bedoeld in artikel 4.64, eerste lid, of 4.65, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft, voor zover het gaat om onteigening als bedoeld in artikel 5.14, eerste lid, van de Waterwet, het oude recht van toepassing tot de activiteit, genoemd in de omgevingsvergunning, ten uitvoer is gelegd.

Hoofdstuk 4 — Overgangsrecht

Artikel 4.4a

Als onteigening plaatsvindt vanwege een besluit dat op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k of l, van de Invoeringswet Omgevingswet geldt als deel van het omgevingsplan, is van onteigening als bedoeld in artikel 11.6, onder a, van de Omgevingswet ook sprake als de bestaande vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer niet is uitgesloten.

Hoofdstuk 4 — Overgangsrecht

Artikel 4.5

1 Als een ontwerp van een besluit:

a. tot vaststelling van een inrichtingsplan als bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied,

b. tot vaststelling van een ruilplan als bedoeld in artikel 47 van de Wet inrichting landelijk gebied,

c. tot vaststelling van een lijst der geldelijke regelingen als bedoeld in artikel 47 van de Wet inrichting landelijk gebied,

d. als bedoeld in artikel 45 van de Wet inrichting landelijk gebied,

voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, blijft het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.

2 Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor een besluit als bedoeld in artikel 44 van de Wet inrichting landelijk gebied toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.

Hoofdstuk 4 — Overgangsrecht

Artikel 4.6

1 Een inrichtingsplan als bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied geldt voor de onderdelen waartegen beroep openstaat als inrichtingsbesluit als bedoeld in artikel 12.7 van de Omgevingswet en voor de overige onderdelen als een inrichtingsprogramma als bedoeld in artikel 3.14a van de Omgevingswet.

2 Een ruilplan als bedoeld in artikel 47 van de Wet inrichting landelijk gebied geldt als ruilbesluit als bedoeld in artikel 12.22 van de Omgevingswet.

3 Een lijst der geldelijke regelingen als bedoeld in artikel 47 van de Wet inrichting landelijk gebied geldt als een besluit geldelijke regelingen als bedoeld in artikel 12.36 van de Omgevingswet.

4 In afwijking van het eerste lid vervalt een inrichtingsplan voor zover dat voorziet in de toewijzing en regeling van het beheer en onderhoud van waterlopen, dijken of kaden met de daartoe behorende kunstwerken, bedoeld in artikel 28, onder b, van de Wet inrichting landelijk gebied, op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt.

Hoofdstuk 4 — Overgangsrecht

Artikel 4.7

1 De Landinrichtingswet blijft van toepassing op landinrichtingsprojecten die al in voorbereiding of in uitvoering waren op 1 januari 2007, waarbij in artikel 187, eerste lid, van de Landinrichtingswet in plaats van de zinsnede «vast recht, als bedoeld in de Wet tarieven in burgerlijke zaken (Stb. 1960, 541)» wordt gelezen: «griffierecht, als bedoeld in de Wet griffierechten burgerlijke zaken» en waarbij, nadat de lijst der geldelijke regelingen door de rechtbank is gesloten op grond van artikel 217, eerste lid, van de Landinrichtingswet, het door de eigenaar verschuldigde bedrag, bedoeld in artikel 223, tweede lid, van de Landinrichtingswet wordt gecorrigeerd met een door gedeputeerde staten vastgestelde correctiefactor, zijnde het quotiënt van de definitieve kosten en de kosten zoals deze oorspronkelijk in de lijst der geldelijke regelingen waren opgenomen.

2 De Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën blijft van toepassing op herinrichtingsprojecten op grond van die wet die al in voorbereiding of in uitvoering waren op 1 juli 2014.

Hoofdstuk 4 — Overgangsrecht

Artikel 4.8

Als voor de inwerkingtreding van deze wet schade is ontstaan als gevolg van een gedoogplicht als bedoeld in:

a. de artikelen 22 en 41 van de Wet inrichting landelijk gebied, of

b. artikel 64b, tweede lid, van de onteigeningswet,

blijft het oude recht van toepassing op een vordering tot schadevergoeding die is gedaan binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet en bij toewijzing van die vordering, tot de schade volledig is vergoed.

Hoofdstuk 4 — Overgangsrecht

Artikel 4.9

Zolang nog geen gemeentelijke omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Omgevingswet is vastgesteld, kan het college van burgemeester en wethouders in een overeenkomst als bedoeld in artikel 13.22, eerste lid, van de Omgevingswet ook bepalingen opnemen over financiële bijdragen voor ontwikkelingen van een gebied op basis van een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

Hoofdstuk 4a — Overige bepalingen

Artikel 4a.1

Wijzigt deze wet.

Hoofdstuk 4a — Overige bepalingen

Artikel 4a.2

Wijzigt deze wet.

Hoofdstuk 4a — Overige bepalingen

Artikel 4a.3

Wijzigt deze wet.

Hoofdstuk 4a — Overige bepalingen

Artikel 4a.4

Wijzigt deze wet.

Hoofdstuk 5 — Slotbepalingen

Artikel 5.1

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende hoofdstukken, artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Hoofdstuk 5 — Slotbepalingen

Artikel 5.2

Deze wet wordt aangehaald als: Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet.