wetzoeker

3.2 — Gebruik van melding bij vermoeden van opzet of grove nalatigheid Aanwijzing opsporing en vervolging bij voorvallen in de burgerluchtvaart

Gebruik van melding bij vermoeden van opzet of grove nalatigheid

Indien een melding aan het OM is doorgegeven omdat volgens het ABL sprake is van een vermoeden van opzet of grove nalatigheid, kan deze melding als sturingsinformatie worden gebruikt. De officier van justitie beoordeelt (mede) aan de hand van de doorgegeven melding of al dan niet een (nader) opsporingsonderzoek wordt ingesteld. Bij die beslissing moet er rekening mee worden gehouden dat de melding zelf later niet als bewijs mag worden gebruikt in de strafzaak tegen de melder.

6 Deze beperking kan worden afgeleid uit het arrest Saunders van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 17-12-1996, ECLI:NL:XX:1996:ZB6862, NJ 1997, 699, in het bijzonder § 68-71). Volgens het Hof vereist art. 6 EVRM, met name het daaraan ten grondslag liggende nemo tenetur beginsel, dat verklaringen die een burger gedwongen was af te leggen (in dit geval op grond van de meldingsplicht uit de verordening) niet in een strafproces tegen hem worden gebruikt. Daarbij maakt het niet uit of de melding al dan niet zelf-beschuldigend is. De meldingsplicht zelf is niet in strijd met het nemo tenetur beginsel, daar het zwijgrecht is gebonden aan een criminal charge. Op het moment van de melding is daarvan geen sprake en komt de melder, die dan (nog) geen verdachte is, geen verschoningsrecht toe. De beperking ligt dus enkel in het latere gebruik van de melding ten behoeve van de bewijsvoering in een strafzaak tegen de melder.

Regeling
Aanwijzing opsporing en vervolging bij voorvallen in de burgerluchtvaart
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
01-03-2020
BWB-id
BWBR0043156
Versie
2020-03-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl