wetzoeker

Wijzigingsbesluit Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES (verhoging diverse vergoedingen en harmonisatie rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers)

Besluit van 5 juli 2019, houdende wijziging van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers in verband met de verhoging van de vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden en de bezoldiging van de zittende burgemeester na afloop van de periode van opclassificatie van een gemeente, alsmede nadere wijziging van het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES in verband met de harmonisatie van de rechtspositie van decentrale politieke ambtsdragers

Soort
AMvB
Geldend vanaf
01-12-2019
Rechtsgebied
Staats- en bestuursrecht, Staatsrecht
Ministerie
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
BWB-id
BWBR0042417
Versie
2019-12-01_0
SHA-256 bron
19b4ec1269dc47b17c585235ec5db1ee589df4015de1200738ac107b2b60608e

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (7)
  1. Artikel I
  2. Artikel II
  3. Artikel III
  4. Artikel IV
  5. Artikel V
  6. Artikel VI
  7. Artikel VII

Artikel I

Wijzigt het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.

Artikel II

Wijzigt het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES.

Artikel III

1 In dit artikel wordt verstaan onder «Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden» het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dat luidde op 31 december 2018.

2 Degene die voor 1 januari 2019 raadslid was in een gemeente met een inwonertal van minder dan 24.000 ontvangt eenmalig een aanvulling op de vergoeding voor de werkzaamheden die wordt berekend volgens de formule a(b-c), waarbij:

«a» staat voor de duur dat betrokkene in de periode van 29 maart 2018 tot en met 31 december 2018 raadslid was in een gemeente met een inwonertal van 24.000 of minder, uitgedrukt in maanden, afgerond op decimalen;

«b» staat voor de maximum vergoeding voor de werkzaamheden per maand die op grond van tabel I bij het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden hoorde bij gemeenten met een inwonertal van 24.001 tot en met 40.000;

«c» staat voor de maximum vergoeding voor de werkzaamheden per maand, genoemd in tabel I bij het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, die op grond van artikel 2, eerste lid, artikel 5, eerste lid, artikel 6 of 7 van dat besluit van toepassing was op de raadsleden van de betrokken gemeente.

3 Degene die in de periode van 1 juli 2018 tot en met 31 december 2018 raadslid was, ontvangt eenmalig een aanvulling op de tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 11 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden die wordt berekend volgens de formule a(€ 0,38), waarbij «a» staat voor de duur dat betrokkene in de periode van 1 juli 2018 tot en met 31 december 2018 raadslid was, uitgedrukt in maanden, afgerond op decimalen.

Artikel IV

1 In dit artikel wordt verstaan onder «Rechtspositiebesluit burgemeesters» het Rechtspositiebesluit burgemeesters, zoals dat luidde op 31 december 2018, en onder «inwonersklasse» de inwonersklasse waarin de desbetreffende gemeente was ingedeeld op grond van artikel 5 van het Rechtspositiebesluit burgemeesters.

2 Degene die in de periode van 1 juli 2018 tot en met 31 december 2018 als burgemeester in functie was, ontvangt eenmalig een aanvulling op de bezoldiging die wordt berekend volgens de formule a(c-b), waarbij:

«a» staat voor de duur dat betrokkene in de periode van 1 juli 2018 tot en met 31 december 2018 burgemeester was, uitgedrukt in maanden, afgerond op decimalen;

«b» staat voor de bezoldiging per maand op grond van de tabel in bijlage I bij het Rechtspositiebesluit burgemeesters;

«c» staat voor de bezoldiging per maand volgens deze tabel:

Inwonersklasse | Bezoldiging

1 | € 6.310,49

2 | € 6.942,20

3 | € 7.569,19

4 | € 8.228,14

5 | € 8.920,34

6 | € 9.671,86

7 | € 10.254,47

8 | € 10.987,80

9 | € 11.770,82

3 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op degene die in de periode van 1 juli 2018 tot en met 31 december 2018 op grond van artikel 78 van de Gemeentewet met de waarneming van het ambt van burgemeester was belast.

Artikel V

1 In dit artikel wordt verstaan onder «Rechtspositiebesluit wethouders» het Rechtspositiebesluit wethouders, zoals dat luidde op 31 december 2018, en onder «inwonersklasse» de inwonersklasse waarin de desbetreffende gemeente was ingedeeld op grond van artikel 5 van het Rechtspositiebesluit burgemeesters, zoals dat luidde op 31 december 2018.

2 Degene die op 31 december 2018 als wethouder in functie was, ontvangt eenmalig een aanvulling op de bezoldiging die wordt berekend volgens de formule a(c-b), waarbij:

«a» staat voor de duur dat betrokkene in de periode van 1 juli 2018 tot en met 31 december 2018 wethouder was, uitgedrukt in maanden, afgerond op decimalen;

«b» staat voor de bezoldiging per maand op grond van de tabel in de bijlage bij het Rechtspositiebesluit wethouders;

«c» staat voor de bezoldiging per maand op grond van deze tabel:

Inwonersklasse | Bezoldiging

1 | € 4.809,66

2 | € 5.450,88

3 | € 6.097,10

4 | € 6.524,95

5 | € 7.168,96

6 | € 7.811,85

7 | € 8.532,03

8 | € 9.037,89

9 | € 10.254,47

3 De wethouder die gedurende de periode van 1 juli 2018 tot en met 31 december 2018 met toepassing van artikel 36, tweede lid, van de Gemeentewet de betrekking in deeltijd uitoefende, ontvangt de aanvulling, bedoeld in het tweede lid, naar evenredigheid met de vastgestelde tijdsbestedingsnorm, bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de Gemeentewet.

Artikel VI

Artikel 5.1, twaalfde, veertiende en vijftiende lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers geldt niet ten aanzien van raadsleden, burgemeesters en wethouders aan wie na 31 december 2018 op grond van artikel 3.3.2 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking zijn gesteld.

Artikel VII

1 Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

2 Artikel I, onderdelen G, H, I, onder 1 en 2, J, K, L, M, N, O, V, onder 1, 2 en 3, en W, tweede lid, en artikel II werken terug tot en met 1 januari 2019.

3 Artikel I, onderdelen B, C, D, E, F, Q, R, S, T, U, V, onder 4 en 5, en W, eerste lid, werkt terug tot en met 28 maart 2019.

4 Artikel I, onderdelen, A, onder 1, I, onder 3, en P, onder 1, werkt terug tot en met 1 juni 2019.

5 In afwijking van het eerste lid, treedt artikel I, onderdelen, A, onder 2, I, onder 4, en P, onder 2, in werking met ingang van 1 december 2019.