wetzoeker

Wijzigingswet Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (intrekking verplichting elektronisch procederen bij rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland, enz.)

Wet van 3 juli 2019 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot intrekking van de verplichting om elektronisch te procederen bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland en tot verruiming van de mogelijkheden van de mondelinge behandeling in het civiele procesrecht

Soort
Wet
Geldend vanaf
01-10-2019
Rechtsgebied
Burgerlijk procesrecht, Procesrecht
Ministerie
Justitie en Veiligheid
BWB-id
BWBR0042405
Versie
2019-10-01_0
SHA-256 bron
066f9d23030515b59b05c5cbde8cfa497d0c26834eb032a89c873e6802eb5fdd

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (5)
  1. Artikel I
  2. Artikel II
  3. Artikel III
  4. Artikel IV
  5. Artikel V

Artikel I

1 In vorderingsprocedures bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, is het recht van toepassing zoals dat bij de andere rechtbanken geldt in dagvaardingsprocedures waarin partijen niet in persoon kunnen procederen.

2 In vorderingsprocedures bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, blijft het recht van toepassing zoals dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet gold,

a. in geval van toepassing van artikel 112 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zoals dat luidt voor de procedures, vorderingen en gerechten waarvoor de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Stb. 2016, 288) in werking is getreden overeenkomstig artikel II van het Besluit van 24 april 2017 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van diverse onderdelen van de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Stb. 2016, 288), de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (Stb. 2016, 289), de Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht en het Aanpassingsbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht (Stb. 2017, 174), indien voor die datum de procesinleiding is ingediend als bedoeld in artikel 30a van dat wetboek, daaronder begrepen de procesinleiding die het geding heropent of voortzet;

b. in geval van toepassing van artikel 113 van het wetboek als bedoeld in onderdeel a, indien voor die datum het oproepingsbericht is betekend als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van dat wetboek, daaronder begrepen het oproepingsbericht dat het geding heropent of voortzet.

3 De rechter kan in vorderingsprocedures als bedoeld in het tweede lid met toestemming van partijen bepalen dat op de zaak het recht van toepassing is als bedoeld in het eerste lid.

Artikel II

Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van niet-digitaal procederen).

Artikel III

Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen).

Artikel IV

Artikel II is van toepassing op procedures waarbij het exploot van dagvaarding op of na de datum van inwerkingtreding van artikel II rechtsgeldig is betekend en op procedures waarbij een verzoekschrift op of na de datum van inwerkingtreding van artikel II bij de rechter is ingediend.

Artikel V

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.