wetzoeker

Artikel 14 Regeling vertrouwenspersonen integriteit en ongewenste omgangsvormen OCW 2019

Rechten en plichten

1 Een vertrouwenspersoon of gewezen vertrouwenspersoon ondervindt in zijn positie in de organisatie geen nadeel van zijn activiteiten in het kader van de uitvoering van deze regeling.

2 Voor de beëindiging van het dienstverband van een vertrouwenspersoon – anders dan op diens initiatief – is de goedkeuring vereist van de secretaris-generaal.

3 De vertrouwenspersoon meldt eventuele nadelige gevolgen die hij in zijn hoedanigheid van vertrouwenspersoon ondervindt bij de coördinator en de adviseur integriteit.

4 Een medewerker die te goeder trouw ongewenste omgangsvormen aan de orde heeft gesteld of een klacht heeft ingediend respectievelijk een vermoedelijke integriteitsschending, anders dan het vermoeden van een misstand, heeft gemeld, ondervindt in zijn positie als medewerker geen nadeel van zijn handelwijze.

Regeling
Regeling vertrouwenspersonen integriteit en ongewenste omgangsvormen OCW 2019
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
24-05-2019
BWB-id
BWBR0042226
Versie
2019-05-24_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl