1 — Inleiding (deel 1) Besluit vaststelling beleidsregels Onderzoekskader 2019 voor het toezicht op de Nederlandse scholen in het buitenland primair onderwijs en voortgezet onderwijs
Inleiding
Diversiteit van het onderwijsveld
Het Nederlands onderwijs in het buitenland kent verschillende verschijningsvormen. Naast volledig primair en voortgezet dagonderwijs (deze scholen lijken erg op het onderwijs in Nederland) zijn er de leslocaties voor Nederlandse taal en cultuur (NTC), waarin leerlingen gedurende drie uur per week het Nederlands bijhouden en verder ontwikkelen. Dit gebeurt naast het lokale of internationale dagonderwijs dat deze leerlingen in het buitenland volgen. Als derde verschijningsvorm is er het afstandsonderwijs.
Juridische basis
De wettelijke basis van de onderzoekskaders Nederlands onderwijs buitenland is ontleend aan artikel 3, eerste lid Wet op het onderwijstoezicht, artikel 10 van de Wet overige OCW-subsidies en artikel 6 van de Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2024-2028. Hierin is opgenomen dat de Inspectie van het Onderwijs toezicht houdt op het Nederlands onderwijs buitenland en daarbij de door de Minister vastgestelde onderzoekskaders hanteert.
Noch de Wet op het Primair Onderwijs (WPO), noch de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO), noch de Leerplichtwet 1969 zijn formeel van toepassing. Deze laatste wet is alleen van kracht wanneer leerlingen zijn ingeschreven in de basisadministratie van een gemeente in Nederland. De Nederlandse scholen in het buitenland vallen ook niet onder de regelgeving van passend onderwijs. En ook de Vertrouwensinspectie is niet voor de Nederlandse scholen in het buitenland beschikbaar omdat daar de lokale wetgeving van kracht is.
Vergelijkbare kwaliteit om aansluiting van leerlingen te realiseren
De onderzoekskaders primair en voortgezet onderwijs voor het Nederlands onderwijs buitenland komen ondanks de genoemde diversiteit aan verschijningsvormen en ondanks de andere wettelijke basis zoveel mogelijk overeen met, en zijn afgeleid van de onderzoekskaders zoals die in Nederland gelden.
De reden hiervoor is dat het Nederlands onderwijs buitenland de aansluiting met het onderwijs in Nederland (en Vlaanderen) beoogt, zoals vastgesteld in de Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland 2024-2028. Continuïteit in het onderwijs voor leerlingen én continuïteit in de inrichting en de kwaliteit van de Nederlandse scholen in het buitenland en van de scholen in Nederland liggen in elkaars verlengde. Dat betekent dat de wijze waarop de inspectie de kwaliteit van het Nederlands onderwijs in het buitenland kwalificeert, vergelijkbaar dient te zijn met de wijze waarop dit in Nederland gebeurt. Dit betreft vooral de opbouw van het kader in kwaliteitsgebieden en standaarden.
De onderzoekskaders voor scholen primair en voortgezet onderwijs in Nederland onderscheiden basiskwaliteit (deugdelijkheidseisen) en aanvullende ambities. Deze deugdelijkheidseisen zijn voor de scholen in het buitenland niet rechtstreeks vanuit de sectorwetten of de Leerplichtwet 1969 toepasbaar. Omwille van de vergelijkbaarheid van kwaliteit van Nederlandse scholen in het buitenland en scholen in Nederland, hanteren we in de onderzoekskaders Nederlands Onderwijs buitenland de term ‘basiskwaliteit’, die vergelijkbaar is met de deugdelijkheidseisen zoals die voor scholen in Nederland gelden. Op de standaarden spreken we van ‘bevindingen’ of ‘waarderingen’, dit omdat de term ‘oordeel’ uitsluitend is voorbehouden aan wettelijke eisen.
Aanpassingen waarderingskader nodig
De bijzondere omstandigheden van het Nederlands onderwijs in het buitenland vragen om aanpassingen in het waarderingskader. Naast het logistieke argument (de Nederlandse scholen in het buitenland zijn over de hele wereld verspreid) is ook de grote wisseling van populaties van het Nederlands onderwijs in het buitenland een belangrijke overweging. We zien herhaaldelijk dat in de periode tussen twee inspectiebezoeken niet alleen het gehele schoolteam is gewisseld, maar ook de directie, het bestuur
1 Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat als het bestuur een rechtspersoon is die de instelling in stand houdt, de inspectie (het uitvoerend deel van) het bestuur als aanspreekpunt zal zien.
en bovendien een groot deel van de leerlingenpopulatie. Deze discontinuïteit vraagt maatwerk in het toezicht en een andere insteek dan in Nederland wordt toegepast. Deze aanpassingen hebben met name consequenties voor de systematiek van het toezicht en voor de normering. We beschrijven dit hieronder.
Concreet betreft het aanpassingen op het punt van de bestuursgerichte benadering, het stimulerend toezicht, het kwaliteitsgebied ‘sturen, kwaliteitszorg en ambitie’, alsmede de kwalificatie ‘Zeer zwak’.
De bestuursgerichte benadering, waarbij in Nederland wordt uitgegaan van een grote mate van autonomie van besturen – maar ook van continuïteit van bestuurlijk handelen ten behoeve van vaak meerdere scholen, in relatie tot andere schoolbesturen, gemeenten en samenwerkingsverbanden – vraagt bij het Nederlands onderwijs buitenland een geheel andere invulling. De besturen van het Nederlands onderwijs in het buitenland functioneren doorgaans autonoom als zogenaamde éénpitter in een geïsoleerde omgeving. Wel vergelijkbaar is het aanspreken van het bestuur op de verantwoordelijkheid voor het in stand houden van de school en voor de kwaliteit van het onderwijs. In die zin zijn de gehanteerde standaarden van de waarderingskaders in gelijke mate van toepassing, maar worden bevindingen / waarderingen alleen gegeven op schoolniveau.
Stimulerend toezicht. De stimulerende taak van het toezicht in het buitenland komt tot uitdrukking in de waardering van de aanvullende ambities. Het richtinggevende model schoolplan van de Stichting NOB volgt, voor zover van toepassing, de opzet en indeling van het schoolplan zoals dat in Nederland van toepassing is. Evenals in Nederland geven de Nederlandse scholen in het buitenland in hun schoolplan aan wat de aanvullende ambities zijn die zij nastreven.
Daarnaast krijgt het stimulerende element van toezicht vorm door het meedenken met het bestuur en andere betrokkenen over oplossingen die de specifieke situatie vereist. Dat geldt met name voor het NTC-onderwijs, dat verreweg het grootste aandeel van het Nederlands onderwijsaanbod in het buitenland vormt. Doordat de inspecteurs op NTC-scholen in heel verschillende omstandigheden en op heel verschillende locaties komen, kennen zij de voor die situatie specifieke problemen. Dat maakt hen een waardevolle gesprekspartner voor de besturen, directies en schoolteams, die vaak maar korte tijd op de betreffende locatie verblijven. Ook de kennis van (de veranderingen van) het onderwijs en van de regelgeving in Nederland is voor besturen, directies en schoolteams in het buitenland relevant.
De standaarden kwaliteitszorg
De standaarden binnen het kwaliteitsgebied Sturing, kwaliteitszorg en ambitie (SKA) vullen we voor de Nederlandse scholen in het buitenland anders in, omdat dit beter aansluit op de situatie van deze scholen. In tegenstelling tot het waarderingskader voor de scholen in Nederland, hanteren we de volgende standaarden: Kwaliteitszorg (SKA1), Kwaliteitscultuur (SKA2) en Verantwoording en dialoog (SKA3).
We verwachten dat het bestuur middels een stelsel van kwaliteitszorg de onderwijskwaliteit op de school waarborgt, waarbij verschillende onderdelen van een goedwerkende kwaliteitszorgcyclus (het stellen van toetsbare doelen vanuit een duidelijke visie, de uitvoering van een voorgenomen kwaliteitsverbetering en de evaluatie) terugkomen. Verder heeft ook het financiële beheer -dat voorwaardelijk is voor het realiseren van goed onderwijs- binnen deze standaard een plek. Het is om die redenen dan ook logisch dat we al deze basisvoorwaarden onderbrengen onder één standaard: Kwaliteitszorg (SKA1).
- Regeling
- Besluit vaststelling beleidsregels Onderzoekskader 2019 voor het toezicht op de Nederlandse scholen in het buitenland primair onderwijs en voortgezet onderwijs
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 01-08-2024
- BWB-id
- BWBR0042056
- Versie
- 2024-08-01_0