wetzoeker

Bij een aanvraag Circulaire Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (juridische versie)

De hoofdregel is dat een bestuursorgaan moet beslissen binnen een wettelijke termijn of bij ontbreken daarvan binnen een redelijke termijn (art. 4:13, eerste lid, van de Awb).

De wettelijke termijn is een vaststaande termijn. Er zij op gewezen dat op wettelijke beslistermijnen in beginsel de Algemene termijnenwet van toepassing is. Deze wet is van overeenkomstige toepassing verklaard op verordeningen van provincies, gemeenten en waterschappen, tenzij in die verordeningen anders is bepaald. Dat betekent dat in beginsel een beslistermijn (met uitzondering van een in een ministeriële regeling of in een regeling van een zelfstandig bestuursorgaan opgenomen termijn) die eindigt in het weekend of op een erkende feestdag, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende werkdag.

Bij gebrek aan een wettelijke termijn, geldt een redelijke termijn. Wat een redelijke termijn is, is afhankelijk van de soort beslissing en kan enkele weken of maanden zijn, maar in uitzonderlijke gevallen zelfs enkele dagen. De redelijke termijn is in ieder geval na acht weken verstreken, indien het bestuursorgaan in de acht weken na ontvangst van de aanvraag tot het geven een beschikking a) geen beschikking heeft gegeven en b) geen redelijke termijn heeft gesteld waarbinnen de aanvrager de beschikking wél tegemoet mag zien (art. 4:13, tweede lid, van de Awb).

Wanneer het bestuursorgaan na ontvangst van een aanvraag een redelijke termijn heeft genoemd waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien, moet in ieder geval binnen deze termijn worden beslist. Déze termijn hoeft geen acht weken te zijn. Met een dergelijke mededeling kan het bestuur aangeven dat de beslistermijn langer is dan acht weken, met dien verstande dat een belanghebbende op grond van art. 6:2 Awb bezwaar kan maken, indien hij van mening is dat een door het bestuursorgaan medegedeelde termijn niet redelijk is. De aanvrager kan een door het bestuur medegedeelde redelijke termijn niet met een ingebrekestelling aanvechten.

De aanvrager kan, wanneer hij of zij van mening is dat de redelijke termijn verstreken is, een ingebrekestelling sturen met de mededeling dat de beslistermijn verstreken is. Het bestuursorgaan heeft in zo’n geval in beginsel twee weken om alsnog een beslissing te nemen. Wanneer dit niet gebeurt, begint de dwangsom automatisch te lopen en kan de aanvrager direct beroep instellen.

Dit betekent dat de aanvrager al na enkele dagen, wanneer hij of zij meent dat de redelijke termijn verstreken is, het bestuursorgaan in gebreke kan stellen wegens het niet tijdig beslissen. Een redelijke termijn is immers afhankelijk van de soort beslissing en kan enkele weken of maanden zijn, maar in uitzonderlijke gevallen zelfs dagen.

Wanneer het bestuursorgaan deze ingebrekestelling ontvangt, staan de volgende mogelijkheden open:

1. Het bestuursorgaan kan binnen twee weken een beslissing nemen. Hiermee voorkomt het bestuursorgaan dat een dwangsom betaald moet worden én wordt direct beroep voorkomen.

2. Wanneer het bestuursorgaan niet binnen twee weken een beslissing kan nemen, kan het bestuursorgaan mededelen dat de redelijke termijn nog niet verstreken is. In dat geval is het, wanneer beroep wordt aangetekend, aan de bestuursrechter om te bepalen wat de redelijke termijn is.

Regeling
Circulaire Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (juridische versie)
Soort
Circulaire
Geldend vanaf
01-03-2019
BWB-id
BWBR0042026
Versie
2019-03-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl