wetzoeker

Regeling vaststelling gelijkwaardige inspanning decentrale overheden inzake EMU-saldo

Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 31 januari 2019, houdende de vaststelling van de gelijkwaardige inspanning van de decentrale overheden inzake het EMU-saldo

Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
01-01-2019
Rechtsgebied
Financieel en economisch recht
Ministerie
Financiën
BWB-id
BWBR0041899
Versie
2019-01-01_0
SHA-256 bron
93f6a648f8efe3254d91a0903ed893daba713d4fb6f173957e3b7590bb3b049d

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (4)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 3
  4. Artikel 4

Artikel 1

De definities van artikel 1 van de Wet houdbare overheidsfinancien zijn van overeenkomstige toepassing op deze regeling.

Artikel 2

Het collectieve aandeel van de decentrale overheden gezamenlijk in het EMU-saldo, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, wordt als volgt vastgesteld:

a. voor 2019 –0 4 procent van het bruto binnenlands product;

b. voor 2020 –0 4 procent van het bruto binnenlands product;

c. voor 2021 –0,4 procent van het bruto binnenlands product;

d. voor 2022 –0,4 procent van het bruto binnenlands product.

Artikel 3

Het collectieve aandeel van de decentrale overheden in het EMU-saldo, bedoeld in artikel 2, wordt uitgesplitst naar:

a. een aandeel voor de provincies gezamenlijk dat als volgt wordt vastgesteld:

1°. voor 2019 –0,08 procent van het bruto binnenlands product;

2°. voor 2020 –0,08 procent van het bruto binnenlands product;

3°. voor 2021 –0,08 procent van het bruto binnenlands product;

4°. voor 2022 –0,08 procent van het bruto binnenlands product;

b. een aandeel voor de gemeenten gezamenlijk dat als volgt wordt vastgesteld:

1°. voor 2019 –0,27 procent van het bruto binnenlands product;

2°. voor 2020 –0,27 procent van het bruto binnenlands product;

3°. voor 2021 –0,27 procent van het bruto binnenlands product;

4°. voor 2022 –0,27 procent van het bruto binnenlands product;

c. een aandeel voor de waterschappen gezamenlijk dat als volgt wordt vastgesteld:

1°. voor 2019 –0,05 procent van het bruto binnenlands product;

2°. voor 2020 –0,05 procent van het bruto binnenlands product;

3°. voor 2021 –0,05 procent van het bruto binnenlands product;

4°. voor 2022 –0,05 procent van het bruto binnenlands product.

Artikel 4

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019.