Artikel 2.2.7 Kosten in verband met verhuizing (deel 1) Circulaire Introductie bij provincies van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers
a. Verhuiskostenvergoeding
De commissaris en de gedeputeerden zijn wettelijk verplicht zich in hun provincie te vestigen. Dit is het zogenaamde woonplaatsvereiste. Wanneer betrokkene hierdoor moet verhuizen, heeft hij op grond van het eerste lid van artikel 2.2.7 recht op een verhuiskostenvergoeding. Deze vergoeding bestaat uit een vergoeding voor het overbrengen van de inboedel en een vast bedrag voor de overige uit de verhuizing voortvloeiende kosten. Dit bedrag wordt slechts eenmaal verstrekt, ook wanneer betrokkene extra kosten maakt in verband met eerst een verhuizing naar een tijdelijke woning. Het bedrag is op grond van artikel 2.2 van de regeling vastgesteld ter hoogte van het fiscaal onbelaste maximum (thans € 7.750).
Het recht op verhuiskostenvergoeding vervalt als betrokkene niet binnen drie jaar na zijn benoeming is verhuisd. Als de verhuizing verplicht is, zoals bij commissarissen en gedeputeerden, dan is die noodzaak aangetoond en is het een zakelijke verhuizing.
Op basis van artikel 2.2.7, vierde lid, van het besluit heeft de commissaris ook na eervol ontslag of niet-herbenoeming eenmalig aanspraak op een vergoeding voor de kosten van verhuizing voor zover hij niet uit anderen hoofde aanspraak heeft op een verhuiskostenvergoeding. Voorwaarde is dat betrokkene vertrekt uit de provincie of uit de aan hem ter beschikking gestelde woning. Het recht op verhuiskostenvergoeding vervalt als betrokkene niet binnen één jaar na dat ontslag of die niet-herbenoeming is verhuisd.
Van de commissaris wordt verwacht dat hij zo snel mogelijk de ambtwoning verlaat om plaats te maken voor zijn opvolger. Artikel 2.2.8 van het besluit (dat gaat over de kosten van die bewoning) blijft zolang hij daar woont, op hem van overeenkomstige toepassing. Dat wil zeggen dat het bedrag van de woonkosten hetzelfde blijft als vóór zijn ontslag.
Er geldt wat betreft de verhuiskostenvergoeding overgangsrecht. Op grond van artikel 8, derde lid, van het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning had de commissaris die na benoeming eerst een tijdelijke woning betrokken in de nieuwe provincie en later verhuisde naar een definitieve woning, tweemaal aanspraak op een (deels belaste) verhuiskostenvergoeding
10 Voor gedeputeerden gold een dergelijke bepaling niet.
. Op grond van artikel 2.2.7 bestaat nu dus, zoals gezegd, eenmalig aanspraak op een (belastingvrije) verhuiskosten-vergoeding, ongeacht het aantal verhuizingen. Voor commissarissen die al vóór de inwerkingtreding van dit besluit per 28 maart 2019 zijn benoemd, blijft echter de bepaling op grond van het voormalige rechtspositiebesluit van toepassing.
b. Vergoeding tijdelijke huisvesting
Zolang de commissaris of de gedeputeerde nog niet is verhuisd of zich nog niet heeft ingeschreven in de basisadministratie personen, heeft hij op grond van de Provinciewet ontheffing van zijn woonplicht nodig. Die ontheffing vereist een expliciet besluit.
Betrokkene kan als overbrugging een vorm van tijdelijke huisvesting betrekken in de nieuwe provincie. Dit kan bijvoorbeeld een hotel zijn, een tijdelijk appartement, een vakantiehuis of een Bed & Breakfast.
Ook is het denkbaar dat de provincie tijdelijk een woning huurt en aan de betrokken ambtsdrager ter beschikking stelt; in dat geval betaalt de ambtsdrager niet zelf de huur, maar is hij op grond van artikel 2.2.8 van het besluit wel een eigen bijdrage per maand verschuldigd. Een reden voor de provincie om een woning (tijdelijk) ter beschikking te stellen aan de ambtsdrager kan zijn dat de woonkosten voor de ambtsdrager worden gemaximeerd (de provincie neemt immers eventuele fiscale meerkosten voor haar rekening). Omdat de provincie moet besluiten of zij al dan niet een woning ter beschikking wil stellen, is er voor haar een specifiek afwegingsmoment ten aanzien van de voor de provincie te nemen woonkosten.
Deze mogelijkheden van maatwerk zal naar verwachting een snellere vestiging bevorderen.
Zolang de ambtsdrager zich nog niet heeft ingeschreven in de basisadministratie personen, heeft hij aanspraak op vergoeding van de kosten voor tijdelijke huisvesting en vergoeding van de reiskosten van en naar de woning waar hij ten tijde van de benoeming woonde (artikel 2.2.7, tweede lid van het besluit). In artikel 2.6 van de regeling is de hoogte van die vergoeding gemaximeerd op 18% van de (bruto) bezoldiging. Dit bedrag is onbelast voor de ambtsdrager; eventuele loon- en inkomstenbelasting worden door de provincie aan de commissaris of gedeputeerde vergoed.
Ook is bepaald om welke kosten het gaat, namelijk de werkelijke kosten, met inbegrip van de kosten voor energie en water. Andere kosten, zoals die van levensonderhoud, wassen en strijken, parkeerplaats of lokale heffingen, komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Zolang er sprake is van incidentele overnachtingen in een hotel of iets dergelijks kunnen de kosten in principe onbelast worden vergoed of verstrekt. Zij zijn dan aan te merken als “kosten van tijdelijk verblijf in het kader van de dienstbetrekking”.
Wanneer de omstandigheden van het geval erop duiden dat het tijdelijk verblijf minder incidenteel wordt, kan dat anders uitpakken voor de provincie. Op grond van artikel 31, vierde lid, onderdeel b, sub 2, van de Wet op de loonbelasting 1964 kan de vergoeding/verstrekking ter zake van of in de vorm van een woning namelijk niet als eindheffingsbestanddeel worden aangewezen, behalve voor zover het gaat om huisvesting buiten de woonplaats ter zake van de dienstbetrekking. In dit soort situaties van niet-incidentele bewoning in afwachting van inschrijving in de basisregistratie personen van de nieuwe gemeente zal, desgewenst in samenspraak met de belastinginspecteur, moeten worden aangenomen dat het hoofdverblijf van de ambtsdrager zich nog in de andere provincie bevindt. In dat geval kan de kostenvergoeding voor de tijdelijke woning in de nieuwe gemeente wel in de eindheffing worden betrokken. Om zeker te stellen dat de vergoeding van deze kosten een netto vergoeding is, is bepaald dat eventueel door de ambtsdrager verschuldigde loon- en inkomstenbelasting over deze vergoeding door de provincie aan de ambtsdrager worden vergoed.
De reiskostenvergoeding geschiedt op dezelfde basis als de vergoeding voor reiskosten voor woon-werkverkeer of dienstreizen (artikel 2.2 van de regeling). Deze aanspraak is gekoppeld aan de duur van de ontheffing.
c. Tegemoetkoming dubbele woonlasten
Wanneer de commissaris of de gedeputeerde is verhuisd naar de nieuwe provincie en zich ook heeft ingeschreven in zijn nieuwe woonplaats, maar zijn oude woning nog niet heeft verkocht, heeft hij aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten voor dubbele woonlasten (artikel 2:2.7, derde lid, van het besluit en artikel 2.7 van de regeling).
De hoogte van de tegemoetkoming is het bedrag van de kosten van de huisvestingsvoorziening in de nieuwe gemeente. Voor de hoogte van de tegemoetkoming geldt echter een maximum van 18% van de bruto bezoldiging. Dit bedrag is onbelast voor de ambtsdrager; eventuele loon- en inkomstenbelasting hierover komen ten laste van de provincie. Dat betrokkene kosten heeft aan het koophuis in de andere provincie is uitsluitend van belang voor het oordeel of er in dit geval al dan niet sprake is van dubbele woonlasten.
Met woonlasten zijn bedoeld de kosten die de ambtsdrager maakt in de nieuwe gemeente in verband met hypotheekrente of huur of vermindering van de bezoldiging in verband met de ambtswoning. In dit verband is een door de provincie ter beschikking gestelde woonvoorziening gelijkgesteld met een ambtswoning. Daarnaast horen de kosten van gas, water en elektriciteit ook tot de woonlasten die voor de hoogte van de tegemoetkoming in aanmerking komen.
- Regeling
- Circulaire Introductie bij provincies van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers
- Soort
- Circulaire
- Geldend vanaf
- 28-03-2019
- BWB-id
- BWBR0041858
- Versie
- 2019-03-28_0