Artikel 3.2.8 Ter beschikking gestelde woning Circulaire Introductie bij gemeenten van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers
Aan de burgemeester of de wethouder kan in verband met de uitoefening van het ambt een woning ter beschikking worden gesteld. Dit kan een ambtswoning zijn, maar ook een andere woning. Hiervoor moet de betrokken ambtsdrager op grond van het eerste lid van artikel 3.2.8 een eigen bijdrage per maand betalen. Deze bijdrage is gemaximeerd. Daarmee is voor zowel de ambtsdrager als de gemeente kenbaar wat de kosten zijn van de bewoning van de ambtswoning.
Op de kosten van de bewoning van een ter beschikking gestelde woning is naast het rechtspositionele ook het fiscale regime van toepassing. Voor de fiscus is de terbeschikkingstelling van een woning aan een ambtsdragers namelijk loon in natura. Fiscaal moet over het totaal van het inkomen in geld en loon in natura belasting worden betaald. Daarom moet ook worden vastgesteld of er, rekening houdend met een eventuele eigen bijdrage, nog een te belasten voordeel verbonden is aan die terbeschikkingstelling van de woning. Dat voordeel wordt fiscaal in principe gesteld op de economische huurwaarde van de woning.
Wordt deze woning om niet ter beschikking gesteld, dan wordt het bedrag van de totale huurwaarde bij de bezoldiging geteld als loon in natura en vervolgens de som van bezoldiging en huurwaarde belast. Betaalt betrokkene een eigen bijdrage voor het woongenot uit zijn nettosalaris dan wordt dit bedrag in mindering gebracht op de huurwaarde, en het eventuele restant betrokken in de belastingheffing van de som van bezoldiging en loon in natura.
In de regel geldt de waarde van de woning voor de belastingheffing als zodanig als loon in natura, en wordt dus gerekend met de totale waarde van die woning voor de vaststelling van de belasting bij de ambtsdrager.
Dit is anders als de fiscus een ambtswoning aanmerkt als een fiscaal zuivere dienstwoning. Dat gebeurt overigens maar zelden. Een fiscale dienstwoning is namelijk gedefinieerd als een woning waarbij betrokkene zijn functie niet kan uitoefenen als hij niet de beschikking heeft over deze woning. Dit wordt door de fiscus niet snel aangenomen. Uitsluitend voor zo’n dienstwoning kan de fiscus specifieke afspraken maken over welk deel zakelijk wordt gebruikt. Over dit zakelijke gedeelte wordt de ambtsdrager dan niet belast. De bijtelling die de ambtsdrager dan moet betalen, geldt ook enkel het woongedeelte, en is gemaximeerd op 18% van het jaarloon.
Deze maximering was en is vormgegeven via een bepaling dat de verschuldigde loon- en inkomstenbelasting als gevolg van een hogere economische huurwaarde door de gemeente aan betrokkene wordt vergoed.
Dat in de oude rechtspositieregelingen de vergoeding voor het gebruik van de ambtswoning via een korting was vormgegeven, bleek, vanwege de samenloop van de rechtspositionele en fiscale regimes, bij een juiste toepassing te leiden tot een niet bedoeld en ongewenst groot effect op het netto besteedbaar inkomen van de ambtsdrager. Bovendien bleek van een uiteenlopende uitvoeringspraktijk en bestond als gevolg van een onjuiste uitvoering het risico op fiscale naheffingen bij de ambtsdrager. Daarom is in de regeling nu een nieuw, duidelijker, systeem opgenomen.
In het nieuwe systeem betaalt de ambtsdrager voor het gebruik van de ter beschikking gestelde woning in plaats van een korting van 18% op zijn bruto bezoldiging, voortaan een eigen bijdrage uit het nettosalaris ter hoogte van 18% van de bruto bezoldiging.
Het is een subtiel verschil in formulering maar een korting kan, in tegenstelling tot de eigen bijdrage uit het nettosalaris, niet in mindering worden gebracht op de economische huurwaarde. Fiscaal betekent een korting namelijk niets meer dan een lager vastgesteld bedrag aan loon in geld.
De voormalige formulering leidde ertoe dat de gemeente uitsluitend het bedrag kon compenseren waarmee de loon- en inkomstenbelasting vanwege die hogere huurwaarde, hoger was dan 18% van de bruto bezoldiging. De korting kon namelijk, zoals gezegd, niet in mindering worden gebracht op de economische huurwaarde. Op deze manier betaalde een ambtsdrager bij een juiste toepassing niet alleen de korting van 18% van de bruto bezoldiging (de verlaging van het loon in geld) maar ook het bedrag aan belasting ter hoogte van (nog eens) 18% van de bruto bezoldiging.
Door de nieuwe formulering heeft de ambtsdrager nu een hoger netto besteedbaar inkomen dan onder een juiste toepassing van het huidige systeem. Nu betaalt betrokkene voor de bewoning maximaal 18% van zijn bruto bezoldiging en zijn de eventuele meerkosten voor de gemeente.
Is de huurwaarde lager dan genoemde 18%, dan moet de eigen bijdrage lager worden vastgesteld. De fiscale gevolgen voor ambtsdrager en de gemeente zijn in dit geval nihil; er is immers geen verschil tussen de eigen bijdrage en de economische huurwaarde.
Er is gekozen voor een eigen bijdrage uit het nettosalaris ter grootte van 18% van de bruto bezoldiging omdat dit percentage het meest recht doet aan alle belangen van de betrokken partijen. Doordat er geen korting meer plaatsvindt op de bezoldiging van de burgemeester en de vergoeding van de eventuele verschuldigde belasting door de gemeente nu direct vanaf dat maximum van de eigen bijdrage wordt berekend, ontvangt de ambtsdrager een hoger netto besteedbaar inkomen dan onder een juiste toepassing van het vroegere systeem. De kostenverdeling tussen burgemeester en gemeente is bij een eigen bijdrage van 18% meer in balans dan bij andere bekeken opties. Ook is de toepassing van 18% voor woonplaatsvoorzieningen al sinds 2014 gemeengoed. Met dit percentage is aangesloten bij het percentage dat de Belastingdienst sinds jaar en dag hanteert bij het waarderen van fiscaal zuivere dienstwoningen. In dit verband speelt ook mee dat de ambtsdrager niet altijd veel invloed heeft op de woning die hem ter beschikking wordt gesteld. Omdat de gemeente moet besluiten of zij al dan niet een woning ter beschikking wil stellen, is er voor haar in het individuele geval een specifiek afwegingsmoment met betrekking tot de voor haar rekening te nemen woonkosten.
Indien er sprake is van een hogere huurwaarde dan de betaalde bijdrage, is er sprake van loon in natura en de daaruit voortvloeiende bijtelling wordt altijd bij de ambtsdrager gelegd. De gemeente compenseert de burgemeester of wethouder door deze bijtelling te vergoeden (zie artikel 3:2.8, tweede lid, van het besluit). Om ervoor te zorgen dat deze vergoeding netto en niet gebruteerd wordt verstrekt, is deze vergoeding in artikel 3:3.8, onderdeel g, van het besluit aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Net als naar voormalig recht is de aanwijzing als eindheffingsbestanddeel gedaan ter vermindering van de kosten voor de gemeente. In §4 is hierop uitgebreid ingegaan.
Onderstaand is een voorbeeld gegeven van de berekening in de situatie van een burgemeester van een gemeente uit inwonersklasse 6 (60.001–100.000 inwoners) waarbij de economische huurwaarde € 3.000 per maand bedraagt.
A: Bezoldiging (2018) | € 9.390,80
B: Huurwaarde ambtswoning | € 3.000,00
C: Loon geld | € 9.390,80
D: Loon in natura (B–H) | € 1.309,66
E: Belast loon (incl. natura) (A+D) | € 10.700,46
F: Loonheffing (45% van E) | € 4.815,21
G: Nettoloon in geld (C–F) | € 4.575,59
H: Eigen bijdrage 18% bruto bezoldiging zonder loon uit natura: G, maar maximaal B | € 1.690,34
I: Netto loon geld G–H) | € 2.885,25
J: Vergoeding van belasting (45%) over D (D*45%) tenzij D= 0 | € 589,35
K: Totaal netto voor burgemeester (G+J) | € 3.474,60
L: Eindheffing 80% over J, ten laste gemeente | € 471,48
M: Totaal tlv gemeente (J+L) | € 1.060,82
- Regeling
- Circulaire Introductie bij gemeenten van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers
- Soort
- Circulaire
- Geldend vanaf
- 01-01-2019
- BWB-id
- BWBR0041643
- Versie
- 2019-01-01_0