wetzoeker

Situatie E: Wethouder in ter beschikking gesteld huis Circulaire Introductie bij gemeenten van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers

Wethouder Q wordt benoemd per 1 maart 2019 en zet meteen haar huis in de oude gemeente te koop. De raad besluit een ontheffing te verlenen. Wethouder Q wordt per 1 maart 2019 een woonvoorziening ter beschikking gesteld door de gemeente. De economische huurwaarde van de woning bedraagt 23% van haar bruto bezoldiging. Wethouder Q schrijft zich op 14 juni 2019 in als ingezetene. Op 7 juli 2022 wordt haar huis in de oude gemeente verkocht.

Ondanks dat zij meteen haar huis in de oude gemeente te koop heeft gezet, heeft wethouder Q op 1 maart 2019 geen recht op de tegemoetkoming dubbele woonlasten. Zij schrijft zich immers pas op 14 juni 2019 in als ingezetene.

Van 1 maart 2019 tot 14 juni 2019 heeft betrokkene wel recht op een vergoeding tijdelijke huisvesting. De kosten van die ter beschikking gestelde woonvoorziening (inclusief de kosten van energie en water) zijn aan te merken als kosten die de wethouder maakt voor tijdelijke huisvesting in de gemeente waarin zij is benoemd. De pensionkostenvergoeding bedraagt het bedrag van de woonkosten per maand, met een maximum van 18% van de bruto bezoldiging. De vergoeding is onbelast voor wethouder Q; eventuele loon- en inkomstenbelasting daarover worden door de gemeente aan haar vergoed. Gelet op het maximum van de vergoeding betaalt wethouder Q per saldo 5% van haar bezoldiging.

Vanaf de inschrijving in de nieuwe gemeente per 14 juni 2019 behoeft wethouder Q geen ontheffing meer. Zij voldoet nu wel aan de voorwaarden van de tegemoetkomingsregeling dubbele woonlasten en heeft daarom per 1 juni 2019 recht op de tegemoetkoming.

De kosten van een door de gemeente ter beschikking gestelde woonvoorziening (inclusief de kosten van energie en water) vallen onder de gemaakte kosten van huisvesting die tot ten hoogste 18% van de bruto bezoldiging voor vergoeding in aanmerking komen. Het bedrag van de economische huurwaarde van de woonvoorziening is voor de wethouder gemaximeerd, namelijk op 18% van de bruto bezoldiging. De tegemoetkoming is onbelast voor wethouder Q; de loon- en inkomstenbelasting over het verschil van 5% van de economische huurwaarde van de woonvoorziening worden door de gemeente aan haar vergoed.

Voor de hoogte van de het door de gemeente te vergoeden bedrag maakt de overlap in de maand juni 2019 van vergoeding tijdelijke huisvesting en tegemoetkoming niet uit. Beide regelingen gaan uit van maandelijkse bedragen, hebben dezelfde omschrijving van het te compenseren bedrag, en bovendien gaat het hier om de woonkosten van dezelfde woonvoorziening.

De tegemoetkoming dubbele woonlasten eindigt per 1 maart 2022 (drie jaar na de benoeming). Na deze datum wordt wethouder Q niet meer door de gemeente ondersteund met enige huisvestingsvoorziening. Alle zijn gemaximeerd op drie jaar na de benoeming.

Aangezien wethouder Q tot 1 maart 2022 ofwel een vergoeding tijdelijke huisvesting geniet ofwel een tegemoetkoming dubbele woonlasten ontvangt, kan wethouder Q gedurende deze drie jaar eenmaal per week een reis naar haar huis in de oude gemeente, declareren.

Voor de verhuizing naar de ter beschikking gestelde woonvoorziening heeft wethouder Q recht op de eenmalige verhuiskostenvergoeding.

Regeling
Circulaire Introductie bij gemeenten van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers
Soort
Circulaire
Geldend vanaf
01-01-2019
BWB-id
BWBR0041643
Versie
2019-01-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl