wetzoeker

Paragraaf 1.1 — Achtergrond Accountantsprotocol vervoerders 2017

Achtergrond

1. Op grond van artikel 87, vijfde lid, van de Wet personenvervoer 2000 (hierna: de Wp2000), houdt de Autoriteit Consument en Markt (hierna: de ACM) toezicht op de naleving van, onder meer, hetgeen is bepaald bij of krachtens artikel 63c, vierde, zesde tot en met tiende lid van de Wp2000. De achtergronden bij die bepalingen uit de Wp2000 laten zich als volgt samenvatten. De Wp2000 kent als basisregel dat concessies voor het verzorgen van openbaar vervoer in bepaalde regio’s in Nederland, aan openbaarvervoerbedrijven dienen te worden gegund door middel van openbare aanbestedingen. Artikel 63a, eerste en tweede lid, van de Wp2000 bevatten een uitzondering op die basisregel: bij uitzondering mogen bepaalde concessies voor het verzorgen van openbaar vervoer worden gegund zonder dat daartoe een aanbesteding is gehouden.

2. Volgens artikel 63a, eerste lid, van de Wp2000, geldt die uitzondering ten eerste alleen in gebieden die de gemeenten Amsterdam, ’s-Gravenhage of Rotterdam omvatten. Op grond van artikel 63a, tweede lid, van de Wp2000 kan die uitzondering ook gelden voor de voormalige plusregio die de gemeente Utrecht omvat.

1 Artikel 63a, tweede lid, van de Wp2000 vermeldt tevens dat het bevoegde overheidsorgaan van de zogenoemde voormalige plusregio die de gemeente Utrecht omvat, in principe ook in staat is om een concessie voor openbaar vervoer (anders dan per trein) in te besteden aan een vervoerder waarover het voldoende zeggenschap uitoefent. Op het moment van vaststelling van deze Beleidsregel heeft het bevoegde orgaan echter geen of onvoldoende zeggenschap over een openbaarvervoerbedrijf om daaraan een concessie in te mogen besteden. Deze Beleidsregel is echter ook van toepassing, zodra het bevoegde bestuursorgaan in de voormalige plusregio die de gemeente Utrecht omvat, voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 63a, tweede lid, van de Wp2000. Bij het opstellen van deze Beleidsregel waren bij de ACM geen gevallen (vervoerders) bekend, die vallen onder het toepassingsbereik van artikel 63c, elfde lid, van de Wp2000. Deze Beleidsregel is daarop vooralsnog niet van toepassing.

Ten tweede geldt de uitzondering alleen voor concessies voor het verzorgen van openbaar vervoer anders dan per trein, bijvoorbeeld voor openbaar vervoer per bus, tram en metro.

2 “Waar in deze regels over ‘openbaar vervoer’ wordt gesproken, wordt daarmee steeds bedoeld: openbaar vervoer, anders dan per trein.”

De bevoegde overheidsorganen in die drie gebieden mogen concessies voor het verzorgen van openbaar vervoer alleen gunnen zonder daarvoor een openbare aanbestedingsprocedure te doorlopen, als zij zelf een voldoende mate van zeggenschap

3 Volgens artikel 63a, eerste en tweede lid, van de Wp2000 is sprake van voldoende zeggenschap als het bevoegde overheidsorgaan invloed kan uitoefenen op de vervoerder in dezelfde mate ‘[...] als [zij] over haar eigen diensten zeggenschap uitoefent’. Zie voorts artikel 5, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007, betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad, PbEG L 315 van 3 december 2007, blz. 1, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2016/2338 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016, PbEU L 354 van 23 december 2016, blz. 22.

hebben over het vervoerbedrijf aan wie zij de concessie gunnen. Dat is bijvoorbeeld het geval als die overheidsorganen zelf eigenaar zijn van het vervoerbedrijf.

3. Het bevoegde overheidsorgaan kan, ook in geval van gunning van een concessie op grond van artikel 63c, eerste en tweede lid, van de Wp2000, subsidie verstrekken aan het vervoerbedrijf voor het verzorgen van het openbaar vervoer. Artikel 22 van de Wp2000 geeft daarvoor de benodigde grondslag. Die subsidie mag echter niet worden gebruikt voor het verzorgen van openbaar vervoer in andere concessiegebieden en ook niet voor (andere) commerciële activiteiten. Andere bedrijven die dergelijke subsidies niet ontvangen, zouden daarvan immers nadeel in hun concurrentiepositie kunnen ondervinden. Daarom schrijven het eerste en het tweede lid van artikel 63c van de Wp2000 voor dat vervoerders in de gebieden die de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, ‘s-Gravenhage of Utrecht omvatten, een scheiding in hun boekhouding moeten aanbrengen en hanteren om kruissubsidiëring te voorkomen. Bovendien moet de accountant van dergelijke Vervoerders jaarlijks een controle uitvoeren en daarbij een verklaring opstellen. Uit de controle en de verklaring moet blijken dat er een boekhoudkundige scheiding is en dat deze correct is gehanteerd. Ook moet daaruit blijken dat is voldaan aan de eisen die zijn gesteld in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid van artikel 63c van de Wp2000 en aan de voorwaarden die zijn gesteld in onderdeel 5 van de bijlage bij Verordening (EG) 1370/2007.

4 Verordening (EG) 1370/2007: zie voetnoot 3, hiervóór.

De Vervoerders dienen deze verklaring van de accountant voor eenieder ter inzage te leggen op alle kantoren van de Vervoerder.

Regeling
Accountantsprotocol vervoerders 2017
Soort
ZBO-regeling
Geldend vanaf
11-12-2021
BWB-id
BWBR0041411
Versie
2021-12-11_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl