wetzoeker

4.3.1 — Invordering van het vaarbewijs (opsporingsambtenaar) Aanwijzing binnenvaart

Invordering van het vaarbewijs (opsporingsambtenaar)

Vaarbewijzen worden enkel ingevorderd door ambtenaren belast met een algemene opsporingstaak (art. 141 Sv).

13 De vordering tot overgifte van het vaarbewijs kan wettelijk ook worden gedaan door buitengewone opsporingsambtenaren (art. 142 Sr). Die zijn echter niet bevoegd om ademtesten af te nemen (van betrokkene medewerking te vorderen aan een adem- of bloedonderzoek in de zin van art. 28 en 28a SVW). Om deze en andere praktische redenen hanteert het OM daarom het uitgangspunt dat vaarbewijzen in de regel worden ingevorderd door ambtenaren belast met een algemene opsporingstaak.

Maakt de opsporingsambtenaar (art. 141 Sv) tegen de houder van een vaarbewijs een proces-verbaal op wegens overtreding van een voorschrift als bedoeld in art. 35b, eerste lid, SVW, dan gaat hij in de volgende situaties tevens over tot invordering van het vaarbewijs

14 Art. 35a, eerste lid, SVW is afgeleid van het eerste lid van art. 164 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Waar laatstgenoemd art. aan de opsporingsambtenaar de invordering bij de daar omschreven overtredingen verplicht voorschrijft, is met art. 35a SVW slechts een bevoegdheid tot invorderen gecreëerd. Mede gelet op de ernst van de overtredingen gaat het OM in navolging van art. 164 WVW 1994 hier uit van een invorderingsplicht.

:

a. Indien bij onderzoek is gebleken, of bij ontbreken van dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van degene die een schip voert of stuurt, hoger is dan 785 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van zijn bloed hoger blijkt te zijn dan 1,8 milligram alcohol per milliliter bloed. Er wordt echter alleen ingevorderd in geval van varen onder invloed met snelle motorboten of met schepen in de beroepsvaart (recidive).

b. Indien met een zodanige snelheid is gevaren dat ernstig gevaar voor de veiligheid van personen of goederen is ontstaan. Er wordt echter alleen ingevorderd in geval van snelheidsovertredingen begaan met snelle motorboten. Een ontzegging wegens gevaarlijk vaargedrag kan namelijk uiteindelijk enkel worden opgelegd voor het (doen) voeren van dat type schip (art. 35b, eerste lid, onder a, SVW).

c. Indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder

15 Hieronder moet blijkens de toelichting niet alleen de feitelijk bestuurder worden verstaan, maar ook de gezag voerend vaarbewijshouder.

opnieuw een feit als bedoeld in art. 35b, eerste lid, SVW zal begaan. Het gaat met name om een vermoeden dat er door of onder verantwoordelijkheid van de houder van het vaarbewijs wederom gevaarlijk vaargedrag zal worden vertoond of onder invloed zal worden gevaren.

De opsporingsambtenaar moet nadrukkelijk de overgifte van het vaarbewijs vorderen. Tevens wordt de verdachte er op gewezen dat hij zich schuldig maakt aan overtreding van art. 184 Sr, indien hij geen gevolg geeft aan de vordering.

De invordering is overigens pas voltooid op het moment dat het vaarbewijs in handen komt van de opsporingsambtenaar.

16 Het is van belang onderscheid te maken tussen ‘de vordering tot overgifte’ enerzijds en de ‘invordering’ anderzijds. Pas bij een voltooide invordering kan de aftrek ex art. 35b, derde lid, SVW worden toegepast. De vordering tot overgifte is overigens niet beperkt tot het tijdstip waarop en de plaats waar de verdachte is aan- of staande gehouden, maar kan ook daarna nog worden gedaan (Vgl. HR 31 januari 1961, NJ 1961, 207). Nadat het proces-verbaal van overtreding/misdrijf is voorzien van een datum van sluiting vervalt echter de bevoegdheid tot het doen van de vordering tot overgifte (Vgl. HR 21 oktober 1958, NJ 1959, 5).

Indien na de vordering tot overgifte geen vaarbewijs wordt afgegeven, wordt (in plaats van een proces-verbaal van invordering) een proces-verbaal van de vordering tot overgifte opgemaakt. De houder van het vaarbewijs wordt er door de opsporingsambtenaar op gewezen dat de geldigheid van zijn ingevorderde, maar nog niet overhandigde, vaarbewijs van rechtswege is geschorst (art. 24a BVB).

17 De formulering van art. 24a BVB is enigszins gemankeerd. De bedoeling van de regelgever is evenwel evident: de geldigheid van het vaardocument is van rechtswege geschorst vanaf de vordering tot overgifte.

Het kan zijn dat de houder van het vaarbewijs geen vaarbewijs kan afgeven, omdat dit vermist of gestolen is. In dat geval wordt een kopie van de aangifte van de vermissing/diefstal van het vaarbewijs bij het proces-verbaal van de vordering tot overgifte gevoegd.

18 Alternatief kan een door de verbalisant bevestigde opmerking van aangifte/vermissing bij het proces-verbaal van de vordering tot overgifte worden gevoegd. Ook kan van de diefstal/vermissing melding worden gemaakt in het proces-verbaal van de vordering tot overgifte.

Er dient géén proces-verbaal te worden opgemaakt voor overtreding van art. 184 Sr, indien het niet voldoen aan de vordering verdachte niet kan worden verweten. Het betreft dan omstandigheden op grond waarvan verdachte niet tijdig heeft kunnen zorgen voor een vervangend vaarbewijs.

19 Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 maart 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AO5324.

Regeling
Aanwijzing binnenvaart
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
01-06-2018
BWB-id
BWBR0040955
Versie
2018-06-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl