6.7.2 — Gevolgen Kavelbesluit III windenergiegebied Hollandse Kust (zuid)
Gevolgen
Windturbines zijn hindernissen als hierboven beschreven en gezagvoerders zullen daarmee rekening moeten houden als ze zich in de nabijheid daarvan bevinden. In de voorschriften is opgenomen dat de windturbines maximaal 251 meter boven het zeeniveau mogen uitsteken.
Ten westen van het windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) bevindt zich de ‘Helicopter Main Route’ (HMR) aangeduid als KZ60. Een HMR is een luchtverkeersroute waar civiele helikopters opereren op een geregelde en herhaalde basis, voornamelijk van en naar olie- en gasplatforms. KZ60 wordt gebruikt voor vliegbewegingen van helikopters van en naar diverse olie- en gasplatforms die zich ten westen, zuiden en zuidoosten van het windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) bevinden. Aan weerszijden van een HMR dient 2 zeemijl obstakelvrij te blijven, in totaal dus 4 zeemijl. Inclusief de obstakelvrije zone is er geen sprake van overlap van kavel III met de HMR KZ60.
Kavel III valt binnen de Helikopter Traffic Zone (HTZ) van de helikopterplatforms P15-E, P18-A en Q13a-A. Zoals is weergegeven in figuur 5.
Een HTZ is een obstakelvrije zone van 5 NM
35 De afstand van vijf zeemijl betreft een Nederlandse interpretatie van internationale luchtvaartregelgeving
(ICAO annex 14 en 6 resp. JAR OPS 3).
rondom een boor- of productieplatform met als doel om op lage hoogte veilig manoeuvres te kunnen uitvoeren, verbonden aan de nadering of het vertrek van een helikopter. Een HTZ is een gebied ter verhoging van het vliegveiligheidsbewustzijn en dient ter bescherming van het luchtverkeer onderling. De zone van 5 NM wordt aangehouden om de kans op een aanvaring tussen een helikopter en een obstakel te minimaliseren. Een obstakel kan betrekking hebben op een klein bootje, een groot schip of een windturbine(park). Deze brede interpretatie is nodig omdat een helikopter die in slecht weer volledig vliegt op instrumenten, op basis van die instrumenten geen goed onderscheid kan maken tussen deze verschillende obstakels en de hoogte ervan. Als volledig op instrumenten wordt gevlogen – een situatie die op de Noordzee circa 25% van de tijd voorkomt – mag de vlieger pas op een hoogte van 1500 voet uitgaan van voldoende verticale separatie van een obstakel. Anders dient de helikopter om het obstakel heen te vliegen.
Een windpark dat zich binnen de vijf nautische mijl obstakelvrije zone bevindt, kan tot gevolg hebben dat helikopters de mijnbouwplatforms nabij kavel III soms anders zullen moeten benaderen. In het onderzoek
36 To70, Desk study, Helicopter accessibility of oil & gas platforms near the offshore wind farms
Hollandse Kust (zuid and noord), april 2017, te vinden op https://www.rvo.nl/sites/default/files/2017/05/160426%20To70%20report%2016.200.01%20Helicopter%20accessibility%20-%20final.pdf
naar de toepasbaarheid van een segmentbenadering voor de helikopterbereikbaarheid van mijnbouwplatformen is onderzocht welk effect de realisering van windparken binnen de zone van 5 nautische mijl heeft voor de bereikbaarheid van een aantal specifieke mijnbouwplatforms, waaronder de mijnbouwplatforms P15-E, P18-A en Q13a-A.
De uitkomsten van het onderzoek voor de uiteindelijke bereikbaarheid van deze platforms is hieronder weergegeven:
Platform | Gemiddelde bereikbaarheid zonder windpark | Gemiddelde bereikbaarheid met windpark, inclusief segmentbenadering | Aantal vluchten per jaar
P15-E (onbemand) | 95% | 90% | ~30
P18-A (onbemand) | 95% | 94% | ~50
Q13a-A (onbemand) | 95% | 87% | ~100
Voor mijnbouwplatform P15-E neemt de helikopterbereikbaarheid door de aanwezigheid van een windpark in kavel III met 5% af. Het windpark zorgt ervoor dat helikopters vanaf platform P15-E in een hoek van 180 graden niet meer in oostelijke richting kunnen vertrekken bij een oostenwind met een windsnelheid van meer dan 20 knopen.
Voor mijnbouwplatform P18-A is de afname in bereikbaarheid van het platform zeer gering. Door de aanwezigheid van het windpark in kavel III kunnen helikopters in een hoek van 180 graden niet meer in noordelijke richting vertrekken. Een noordenwind met een windsnelheid van meer dan 20 knopen komt zelden voor, waardoor de bereikbaarheid slechts met 1% afneemt.
Voor mijnbouwplatform Q13a-A neemt de bereikbaarheid door de aanwezigheid van het windpark in kavel III met 8% af. Dit komt doordat helikopters in een hoek van meer dan 180 graden niet meer in noordwestelijke richting kunnen vertrekken bij een westenwind met een windsnelheid van meer dan 20 knopen.
Wanneer een windpark zich binnen de beschermingscontour van de communicatie-, navigatie- of surveillanceapparatuur (CNS) van Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) bevindt, kan mogelijk verstoring van communicatie optreden.
- Regeling
- Kavelbesluit III windenergiegebied Hollandse Kust (zuid)
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 17-07-2026
- BWB-id
- BWBR0040556
- Versie
- 2026-07-17_0