Bijlage I — Onderzoekskader College voor Toetsen en Examens (deel 1) Besluit vaststelling beleidsregel Onderzoekskader College voor toetsen en examens
Onderzoekskader College voor Toetsen en Examens
Wettelijk kader
Met een wetswijziging die op 1 augustus 2014 in werking is getreden is de Wet College voor examens gewijzigd in de Wet College voor toetsen en examens. Het College voor Examens heet vanaf dat moment College voor Toetsen en Examens (CvTE). Op basis van de Wet College voor toetsen en examens is het CvTE officieel (ook) verantwoordelijk voor de Centrale Eindtoets in het primair onderwijs. In 2014 heeft het CvTE ook een start gemaakt met de eerste ontwikkeling van de diagnostische tussentijdse toets en eerder waren de rekentoets Vo en de centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels in het mbo aan het takenpakket toegevoegd.
De Wet op het onderwijstoezicht (WOT) vormt de grondslag voor het toezicht door de Inspectie van het Onderwijs (Inspectie). Krachtens deze wet is het toezicht op het CvTE opgedragen aan de Inspectie (artikel 15f WOT). De Inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van het functioneren van het CvTE en op de naleving van de bij of krachtens de Wet College voor toetsen en examens, de Wet voortgezet onderwijs 2020 gegeven voorschriften.
Bij haar stelseltoezicht (artikel 8 WOT) kan de Inspectie desgevraagd of uit eigen beweging rapporteren aan de Minister over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit van het onderwijs, waaronder ook het toets- en examenstelsel valt. Op grond van deze rapportage doet de Inspectie voorstellen die zij in het belang van het onderwijs nodig acht.
Toezicht op de kwaliteit van het functioneren van het CvTE
De Inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van het functioneren van het CvTE. In de wet op het College voor toetsen en examens zijn geen bepalingen opgenomen die richting geven aan wat onder ‘de kwaliteit van het functioneren’ moet worden verstaan. De Inspectie voert daarom overleg met het CvTE over de criteria die in dit toezicht worden gehanteerd.
Bij het vormgeven van het toezicht op de kwaliteitsborging zijn het kwaliteitsbeleid en de verantwoordingsinformatie van het CvTE als uitgangspunt gekozen. Het CvTE verwoordt zijn kwaliteitsbeleid als volgt: ‘Het CvTE waarborgt namens de overheid de kwaliteit en het niveau van toetsen en examens en stelt scholen in staat de afname van toetsen en examens vlekkeloos te laten verlopen’. Daarom verstaan het CvTE en de Inspectie onder ‘de kwaliteit van het functioneren van het CvTE’: het waarborgen van de kwaliteit, het niveau en de afname van de toetsen en de examens door het CvTE.
Het kwaliteitsbeleid van het CvTE bestaat in de kern uit: 1. de kwaliteit van procedures die de validiteit, betrouwbaarheid en normering van de toetsen en de examens waarborgen; 2. de kwaliteit van de procedures voor het betrekken van stakeholders, de opdrachtgever, de ketenpartners en externe deskundigen bij de werkzaamheden. Het CvTE heeft een systeem van kwaliteitsbewaking voor de centrale toetsen en examens en een onderzoek van de Inspectie naar de inhoud of de kwaliteit van de examens zou een dubbeling zijn. Het CvTE verantwoordt zich over de kwaliteitsborging en de resultaten hiervan. De Inspectie kan hierop aansluiten door de juistheid van de verantwoordingsinformatie te verifiëren. Hierdoor kunnen twee vragen worden beantwoord: 1. werkt het CvTE conform de eigen kwaliteitsprocedures?; 2. waarborgt het CvTE daarmee de kwaliteit, het niveau en de afname van de centrale toetsen en examens?
Toezicht op de naleving van wettelijke taken en wettelijke voorschriften
De Inspectie houdt toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Wet College voor toetsen en examens, de Wet voortgezet onderwijs 2020 gegeven voorschriften. In artikel 2 van de Wet College voor toetsen en examens staan de wettelijke taken van het CvTE. Daarnaast is in artikel 3 van die wet bepaald dat het college is belast met bij Algemene Maatregel van Bestuur aan te wijzen taken ten aanzien van de uitvoering van de centrale examinering in het beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 7.4.3a van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 7.4.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, en de op dit artikel gebaseerde uitvoeringsvoorschriften.
In de artikelen 7 en 8 van de Wet College voor toetsen en examens zijn wettelijke voorschriften opgenomen waarin is bepaald dat:
– het College een bestuursreglement vaststelt, waarin in elk geval regels over de werkwijze en procedures zijn opgenomen;
– het College jaarlijks voor 1 april een werkprogramma voor het daaropvolgende kalenderjaar aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt. Daarbij is bepaald wat het werkprogramma in elk geval moet omschrijven.
Uit de wetsgeschiedenis wordt duidelijk dat het jaarverslag van het CvTE een belangrijk aangrijpingspunt is voor de Inspectie om het toezicht uit te voeren en te kijken of het CvTE zijn wettelijke taken heeft volbracht en in welke mate het CvTE de wettelijke voorschriften naleeft.
De werkwijze
Jaarlijkse risicoanalyse
De Inspectie gaat jaarlijks aan de hand van het jaarverslag na of het CvTE zijn wettelijke taken heeft uitgevoerd, de wettelijke voorschriften heeft nageleefd en zich heeft verantwoord over het gevoerde kwaliteitsbeleid. Daarnaast analyseert de Inspectie informatie uit andere bronnen, waaronder ontvangen meldingen en signalen. Uit deze analyse volgt een inschatting van het risico of de wettelijke taken niet naar behoren zijn uitgevoerd of dat de kwaliteit van het functioneren van het CvTE onvoldoende is.
Met behulp van de verzamelde informatie uit het jaarverslag en de andere bronnen beantwoordt de Inspectie de volgende vragen:
– heeft het CvTE aan zijn wettelijke taken voldaan?
– zijn er indicaties dat de kwaliteit van de uitvoering van de wettelijke taken onvoldoende is?
– zijn er indicaties dat de kwaliteit van het functioneren van het CvTE onvoldoende is?
Als de resultaten van deze risicoanalyse geen directe aanleiding geven tot nader onderzoek, dan rondt de Inspectie haar onderzoek af en rapporteert de bevindingen aan het CvTE. Van deze rapportage wordt een samenvatting opgenomen in het verslag over de staat van het onderwijs.
Als de risicoanalyse daar aanleiding toe geeft dan kan de Inspectie besluiten om een kwaliteitsonderzoek in te stellen.
Interventies
In het geval blijkt dat het CvTE niet aan zijn wettelijke opdracht heeft voldaan of dat de kwaliteit van het functioneren onvoldoende is, is de werkwijze van de Inspectie als volgt:
• de Inspectie gaat allereerst een gesprek aan met het CvTE over de mogelijke oorzaken van het onvoldoende functioneren en over mogelijke oplossingen;
• indien nodig voert de Inspectie aanvullend onderzoek uit;
• een laatste interventie (‘ultimum remedium’) is een voorstel van de Inspectie aan de Minister om een voorziening te treffen als bedoeld in artikel 15f, tweede lid, van de WOT en artikel 23 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. Dit is de bevoegdheid van de Minister om in te grijpen bij taakverwaarlozing. Dit voorstel doet de Inspectie niet dan nadat het CvTE een reële kans op verbetering heeft gehad en de Inspectie daarna een onderzoek naar de kwaliteitsverbetering heeft uitgevoerd.
Driejaarlijks onderzoek
Met het oog op het behoud en de versterking van het maatschappelijk vertrouwen in het stelsel van centrale toetsen en examens voert de Inspectie driejaarlijks een onderzoek uit naar de kwaliteitsborging. In dit driejaarlijkse onderzoek zal de Inspectie de vraag beantwoorden of het CvTE kan aantonen dat de kwaliteit, het niveau en de afname van centrale toetsen en examens gewaarborgd is.
- Regeling
- Besluit vaststelling beleidsregel Onderzoekskader College voor toetsen en examens
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 01-08-2022
- BWB-id
- BWBR0040432
- Versie
- 2022-08-01_0