4.2 — Zorgvuldigheidseisen Aanwijzing vervolgingsbeslissing inzake late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen
Zorgvuldigheidseisen
In artikel 6 en 7 van de Regeling worden de zorgvuldigheidseisen genoemd waaraan een arts moet voldoen wil hij een succesvol beroep kunnen doen op de rechtvaardigingsgrond overmacht in de zin van noodtoestand. Artikel 6 ziet op de late zwangerschapsafbreking categorie 2 en artikel 7 ziet op de levensbeëindiging bij pasgeborenen.
Artikel 6 van de Regeling vereist dat bij een late zwangerschapsafbreking categorie 2:
a. de arts de overtuiging heeft gekregen dat de ongeborene een aandoening heeft of een combinatie van aandoeningen heeft die van zodanige aard is dat na de geboorte zou worden afgezien van een medische behandeling, omdat ingrijpen naar heersend medisch inzicht zinloos en naar heersend medisch inzicht geen redelijke twijfel bestaat over de diagnose en de daarop gebaseerde prognose;
b. de arts de overtuiging heeft gekregen dat bij de ongeborene sprake is van een actueel of te voorzien uitzichtloos lijden;
c. de arts de ouders volledig op de hoogte heeft gesteld van de diagnose en de daarop gebaseerde prognose. Dit houdt onder andere in dat de arts met de ouders tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin de ongeborene zich bevindt geen redelijke andere oplossing is;
d. de moeder uitdrukkelijk heeft verzocht om beëindiging van de zwangerschap wegens lichamelijk of psychisch lijden onder de situatie;
e. de arts ten minste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de hiervoor genoemde zorgvuldigheidseisen of, indien een onafhankelijke arts redelijkerwijs niet kon worden geraadpleegd, het behandelteam heeft geraadpleegd, dat schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de hiervoor genoemde zorgvuldigheidseisen;
f. de afbreking van de zwangerschap medisch zorgvuldig is uitgevoerd.
Artikel 7 van de Regeling vereist dat bij een levensbeëindiging pasgeborenen:
a. naar overtuiging van de arts sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de pasgeborene, hetgeen onder andere betekent dat het staken van de medische behandeling gerechtvaardigd is, dat wil zeggen dat naar heersend medisch inzicht vast staat dat ingrijpen zinloos is en naar heersend medisch inzicht geen redelijke twijfel bestaat over de diagnose en de daarop gebaseerde prognose;
b. de arts de ouders volledig op de hoogte heeft gesteld van de diagnose en de daarop gebaseerde prognose en dat de arts met de ouders tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin de pasgeborene zich bevond geen redelijke andere oplossing was;
c. de ouders hebben ingestemd met de levensbeëindiging;
d. de arts ten minste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de hiervoor genoemde zorgvuldigheidseisen, of, indien een onafhankelijk arts redelijkerwijs niet kon worden geraadpleegd, het behandelteam heeft geraadpleegd, dat schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de hiervoor genoemde zorgvuldigheidseisen;
e. de levensbeëindiging zorgvuldig is uitgevoerd.
Zorgvuldig: geen strafrechtelijk onderzoek tenzij
Indien de beoordelingscommissie tot het oordeel komt dat de arts zorgvuldig heeft gehandeld zal er voor het College in beginsel geen aanleiding zijn een strafrechtelijk onderzoek of vervolging in te stellen. De zaak zal dan middels een onvoorwaardelijk sepot afgesloten kunnen worden.
Situaties die wel aanleiding kunnen geven voor een strafrechtelijk onderzoek of vervolging zijn:
− het feit dat de arts (bewust) onjuiste informatie heeft verstrekt aan de Beoordelingscommissie of de IGZ;
− de omstandigheid of het ernstige vermoeden dat de naar voren gebrachte feiten anders liggen dan geschetst;
− het naar voren komen van (nieuwe) feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat niet is voldaan aan de zorgvuldigheidseisen;
− indien het openbaar ministerie op basis van feiten en omstandigheden tot een andere beoordeling of weging van de feiten komt dan de Beoordelingscommissie.
Dit betreft geen uitputtende opsomming.
Onzorgvuldig: vervolging geïndiceerd bij schending substantiële zorgvuldigheidseisen
Indien de Beoordelingscommissie tot het oordeel komt dat de arts niet conform de zorgvuldigheidseisen genoemd in artikel 6 onder a tot en met f (late zwangerschapsafbreking categorie 2) en artikel 7 onder a tot en e (levensbeëindiging bij pasgeborenen) heeft gehandeld, dan kan het vermoeden van schuld ontstaan ten aanzien van de artikelen 296, 82a en 289 Sr (late zwangerschapsafbreking categorie 2) en de artikelen 82a en 289 Sr (levensbeëindiging pasgeborenen). Als het openbaar ministerie na een onderzoek tot het oordeel komt dat de arts strafbaar is en zich aan deze feiten schuldig heeft gemaakt, dan is vervolging in beginsel geïndiceerd.
Bij de beoordeling van de opportuniteit is de aard van de geschonden norm bepalend. Verdenking van de artikelen 296, 82a en 289 Sr (late zwangerschapsafbreking categorie 2) en van de artikelen 82a en 289 Sr (levensbeëindiging pasgeborenen) wegens schending van een substantiële zorgvuldigheidseis dient, behoudens uitzonderingen, tot strafrechtelijke vervolging te leiden. In alle andere gevallen daarentegen kan voor een (voorwaardelijk) sepot worden gekozen. Een substantiële zorgvuldigheidseis is de eis dat de arts de overtuiging heeft gekregen dat sprake is van ondraaglijk en uitzichtloos lijden bij de ongeborenen of pasgeborene.
- Regeling
- Aanwijzing vervolgingsbeslissing inzake late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen
- Soort
- Beleidsregel
- Geldend vanaf
- 01-12-2017
- BWB-id
- BWBR0040270
- Versie
- 2017-12-01_0