wetzoeker

3.2 — Criteria toekenning bevoegdheden (deel 1) Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar

Criteria toekenning bevoegdheden

Criteria toekenning opsporingsbevoegdheid: noodzaakcriterium

Conform het BBO wordt een titel van opsporingsbevoegdheid verleend dan wel verlengd indien daartoe noodzaak bestaat en de boa betrouwbaar en bekwaam is.

5 De bevoegdheid tot het opsporen van de in de akte van beëdiging vermelde strafbare feiten is gebonden aan een geldigheidsduur van maximaal vijf jaar en kan steeds met vijf jaar worden verlengd. In het laatste geval zal door het Ministerie van Justitie en Veiligheid opnieuw worden getoetst op noodzakelijkheid, betrouwbaarheid en bekwaamheid voor het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden.

Er is voldaan aan het noodzaakcriterium wanneer naar het oordeel van de Minister van Justitie en Veiligheid, de opsporingsbevoegdheid noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van de betreffende persoon of de dienst waarbij deze werkzaam is, en een beroep op de politie voor het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden bezwaarlijk, niet mogelijk of niet wenselijk is.

6 Artikel 4, lid 1 BBO.

Over de noodzaak voor toekenning van (extra) opsporingsbevoegdheid wordt door de boa-werkgever advies gevraagd aan de direct toezichthouder en toezichthouder als bedoeld in artikel 1, vierde lid, BBO. Zie ook paragraaf 3.5 Toezicht op boa’s.

In Domein I Openbare ruimte geldt een afwijkende procedure voor zover het gaat om een aanvraag van gemeenten tot uitbreiding van het aantal boa’s. Hier vindt de toetsing op noodzaak plaats in de lokale driehoek.

7 Kamerstukken II, 2012/13, 28 684 nr. 387, p. 7. Dit ziet alleen op boa’s in dienst van de gemeente, niet op boa’s in Domein I die in dienst van andere werkgevers zijn.

Het noodzaakcriterium wordt ook gehanteerd voor de toekenning van politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen.

Criteria toekenning politiebevoegdheden en vrijheidsbeperkende middelen

Voor de toekenning van de politiebevoegdheden van artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012 de toekenning van vrijheidsbeperkende middelen van artikel 7, eerste lid van de Politiewet 2012, gelden de volgende criteria:

a) de boa moet zelf verdachten kunnen aanhouden en overbrengen naar een plaats van verhoor;

b) er is geen beroep op de politie mogelijk;

c) de bevoegdheid tot het gebruik van geweld staat in verhouding tot de toe te kennen dan wel toegekende opsporingsbevoegdheid;

d) de geweldsbevoegdheid, de veiligheidsfouillering, de vervoersfouillering en de insluitingsfouillering mogen pas worden uitgeoefend indien de boa heeft voldaan aan de bekwaamheidseisen als gesteld in de Regeling Toetsing Geweldsbeheersing Buitengewoon opsporingsambtenaar en ambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten (hierna: RTGB). De wijze waarop van de veiligheidsfouillering, de vervoersfouillering en de insluitingsfouillering gebruik dient te worden gemaakt, is nader geregeld in de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna ook: Ai). Voor de toekenning van vrijheidsbeperkende middelen geldt dat men tevens bevoegd moet zijn om geweld te gebruiken (politiebevoegdheid van artikel 7, eerste lid van de Politiewet 2012).

Criteria toekenning geweldmiddelen

Het toepassen van geweld met gebruik van een geweldmiddel is een bevoegdheid die in beginsel alleen toekomt aan de Staat. Als de noodzaak aannemelijk is voor een goede uitoefening van de taak van de boa kunnen onder voorwaarden geweldmiddelen worden toegekend aan de boa. Mede vanuit de doelstelling van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) wordt een restrictief beleid gehanteerd. Het toekennen van geweldmiddelen aan een boa geschiedt slechts als de noodzaak hiertoe door de aanvrager aannemelijk is gemaakt en indien de bekwaamheid van de boa in de omgang met het betreffende wapen is aangetoond (zie ook artikel 5, eerste lid, Regeling wapens en munitie, hierna: Rwm).

Elke aanvraag tot het toekennen van geweldmiddelen wordt afzonderlijk beoordeeld aan de hand van de onderstaande criteria a) tot en met d). Geweldmiddelen kunnen slechts worden toegekend op basis van de bevoegdheden en taak van de boa zoals vastgelegd in de akte en kunnen slechts worden gebruikt volgens de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren. Het toekennen van een geweldmiddel gebeurt in het kader van een adequate en veilige taakuitvoering door de boa. Immers, om een taak goed uit te kunnen voeren, dient dit ook veilig te gebeuren. Geweldmiddelen kunnen onder meer worden ingezet voor de bescherming van de boa als hij onvoorzien (en ongewenst) in een situatie met gevaarzetting terechtkomt.

De minister betrekt bij zijn beoordeling de adviezen van de toezichthouder en de direct toezichthouder. Deze adviezen strekken zich uit over de hieronder genoemde criteria.

De criteria:

a) De beschikbare geweldmiddelen voor de boa op basis van deze beleidsregels.

De maximaal toe te kennen geweldmiddelen zijn per domein bepaald. De geweldmiddelen staan in volgordelijkheid van zwaarte benoemd. De korte wapenstok geldt als een licht geweldmiddel, de pepperspray als middelzwaar geweldmiddel, de uitschuifbare wapenstok als zwaar geweldmiddel en het vuurwapen als een zeer zwaar geweldmiddel. Daarnaast kan onder voorwaarden ook een surveillancehond worden toegekend.

Ingehuurde boa’s kunnen voor elk van de domeinen maximaal tot en met de handboeien, en dus geen geweldmiddelen, toegekend krijgen.

b) De bevoegdheden en taakstelling van de boa.

De boa is buitengewoon -en daarmee beperkt- opsporingsbevoegd. De opsporingsbevoegdheid strekt zich uit tot de in de akte aangeduide strafbare feiten – vaak door een verwijzing in de akte naar het betreffende Domein in de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar – voor zover wet- en/of regelgeving zich daar niet tegen verzetten. Met het oog op een goede taakuitvoering koppelt de boa-werkgever het pakket aan opsporingsbevoegdheden aan de taakomschrijving van zijn boa’s. Bij de beoordeling van een verzoek om de toekenning van geweldmiddelen wordt onder dit criterium derhalve gekeken naar:

• De feiten waarvoor de boa, op basis van de akte en het domein waarvoor de boa bevoegd is, volgens deze beleidsregels en de betreffende wetgeving mag worden ingezet en daadwerkelijk tot taak en bevoegdheid heeft;

• Indien de werkgever in mandaat een taak uitvoert of daartoe aangewezen is, dan dient de werkgever de mandaat- of aanwijzingsbesluiten aan te leveren;

• En dat op basis van de hiervoor genoemde feiten, de boa in de rechtmatige uitoefening van zijn functie een situatie tegen kan komen waarin hij over mag gaan tot het gebruik van het geweldmiddel zoals bedoeld in Hoofdstuk 2 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren.

Niet wordt in deze beoordeling meegewogen het aantal processen-verbaal of aanhoudingen welke een boa voor een bepaald feit in het verleden heeft opgemaakt/verricht.

De artikelen waarbij de boa mag optreden voor zover het gaat om de eigen veiligheid van de boa (artikelen 177, 179, 180, 181, 182, 284, 285, 300 juncto 304 eerste lid onder 3° Wetboek van Strafrecht) worden niet meegenomen bij de beoordeling van de toekenning voor een geweldmiddel.

c) Aanwezigheid handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst met de politie.

Indien de boa handhavend optreedt in de publieke ruimte bestaat er een kans dat de boa te maken krijgt met fysiek geweld. Voor het toekennen van geweldmiddelen is het daarom vereist dat er afspraken zijn gemaakt over samenwerking met de politie en opvolging bij escalatie door de politie via een handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst alvorens een geweldmiddel toe te kennen. Hiermee wordt gezorgd dat de taakuitvoering zo veilig mogelijk kan verlopen, zodat deze taakuitvoering ook adequaat kan gebeuren.

Het optreden van de boa dient zich te beperken tot de bevoegdheden en taak van de boa zoals bedoeld onder criterium b).

Regeling
Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
01-09-2026
BWB-id
BWBR0039766
Versie
2026-09-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl