Onderzoekscriterium 1 Besluit intrekking toezichtkaders onder vaststelling van beleidsregels Onderzoekskaders NBO PO 2017 en NBO VO 2017
Het aanbod bereidt de leerlingen voor op het vervolgonderwijs en de samenleving.*
De beoordeling of het aanbod leerlingen voorbereidt op voortgezet vervolgonderwijs vindt plaats aan de hand van vijf subcriteria:
1.1 Het aanbod Nederlandse taal is dekkend voor de kerndoelen*;
1.2 Het aanbod rekenen en wiskunde is dekkend voor de kerndoelen*;
1.3 De school neemt de referentieniveaus voor Nederlandse taal en rekenen als uitgangspunt*;
1.4 De leerbronnen waarborgen een breed vormingsaanbod, gericht op een veelzijdige ontwikkeling, en deze zijn dekkend voor de kerndoelen*;
1.5 De leerbronnen zijn afgestemd op de onderwijsbehoeften van (individuele) leerlingen;
1.6 De leerbronnen dragen aantoonbaar bij aan de bevordering van sociale integratie en actief burgerschap en de kennis over en kennismaking met de verschillende achtergronden en culturen van leeftijdgenoten*.
Toelichting
Het bevoegd gezag moet kunnen waarborgen dat leerlingen een onderwijsprogramma kunnen volgen dat hen voorbereidt op voortgezet vervolgonderwijs dat bij hen past (art. 2 WPO). De verworven kennis en vaardigheden moeten dan ook voldoende zijn om naar behoren in dit vervolgonderwijs te kunnen functioneren. Dit geldt in het bijzonder voor de basiscompetenties taalvaardigheid (lezen en schrijven) en rekenvaardigheid. Om een doorgaande leerlijn te kunnen waarborgen moet het onderwijsprogramma dekkend zijn voor de kerndoelen (art. 9, negende lid, WPO). Scholen hebben de ruimte om verschillende wegen te bewandelen om de kerndoelen in de onderwijspraktijk voor zoveel mogelijk leerlingen te realiseren.
Om de kwaliteit van het aanbod op alle typen niet bekostigde scholen te kunnen beoordelen gaat de inspectie na welke leerbronnen scholen beschikbaar stellen voor hun leerlingen.
Leerbronnen kunnen van zeer divers karakter zijn: leraren, medeleerlingen, boeken, methoden, audio-visuele en digitale programma’s, internet, lesmateriaal, kranten, tijdschriften, bibliotheek, praktijksimulaties, praktijkoefensituaties, opdrachten, stages, presentaties en andere zaken waar leerlingen gebruik van kunnen maken (subcriteria 1.1. en 1.2).
De school moet de referentieniveaus nemen als uitgangspunt voor het onderwijs (art. 9, elfde lid, WPO). Waar de kerndoelen gaan over de onderwerpen die het aanbod moet bevatten, gaan de referentieniveaus over het niveau van taal en rekenen dat een kind moet kunnen bereiken aan het einde van de schoolperiode. Er zijn twee referentieniveaus voor het primair onderwijs: een fundamenteel niveau (1F) en een streefniveau (1S). Van de school verwachten we dat er is nagedacht over de te bereiken referentieniveaus, en of het aanbod hiertoe leidt (subcriterium 1.3).
Primair onderwijs beoogt de brede vorming van kinderen, gericht op een veelzijdige ontwikkeling (art. 8, tweede lid, WPO). De kerndoelen zijn hiervan een operationalisering. Met name de kerndoelen voor de leergebieden ‘oriëntatie op jezelf en de wereld’, ‘kunstzinnige oriëntatie’ en ‘het bewegingsonderwijs’ bieden ruimte voor een eigen invulling door scholen en specifieke keuzes. Uitgangspunt blijft dat alle scholen waaronder de niet door de overheid bekostigde scholen, aantoonbaar aandacht besteden aan alle leer- en vormingsgebieden van artikel 9 en de daarbij behorende kerndoelen realiseren, zodat een breed onderwijsaanbod gewaarborgd blijft (art. 9, negende lid, WPO). Dit laatste betreft subcriterium 1.4.
Onderwijs dat erop gericht is dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen, komt tegemoet aan de specifieke onderwijsbehoeften van (individuele) leerlingen. Alle leerlingen binnen het primair onderwijs krijgen als uitgangspunt een aanbod dat overeenkomt met de kerndoelen. Leerlingen verschillen echter in mogelijkheden en de wijze waarop zij hun inzichten opbouwen, hun mentale modellen construeren en hun kennis vergroten. Het is aan de scholen hoe zij met die verschillen omgaan (subcriterium 1.5 – stimulerend).
Leerlingen groeien op in een pluriforme samenleving. Daarom is het onderwijs gericht op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie, en op kennis hebben van en kennismaken met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdgenoten (artikel 8, derde lid, WPO).
Het aanbod draagt bij aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Daarom dienen de uitingen van leraren in lijn te zijn met de democratische rechtsstaat, en dient te worden ingegrepen als de uitingen van leerlingen daarmee in strijd zijn (subcriterium 1.6).
De inspectie bekijkt de kwaliteit van het aanbod op een wijze die past bij de eigen opvattingen van het bevoegd gezag over ‘onderwijzen en leren’. Uitgangspunt is dat aantoonbaar gewaarborgd is dat het door de wetgever bedoelde onderwijsaanbod daadwerkelijk wordt gerealiseerd.
De inspectie sluit in haar werkwijze in eerste aanleg aan bij de keuze van het bevoegd gezag. Belangrijke bronnen die de inspectie ter verificatie gebruikt zijn: analyse van leermaterialen en leerlijnen, logboeken van en gesprekken met leraren, gesprekken met leerlingen, leerlingenwerk en analyse van resultaten van leerlingen op het gebied van Nederlandse taal en rekenen en wiskunde.
Daar waar nodig zal de inspectie vragen stellen als: op welke wijze is het aanbod geordend, waar ligt dit vast, hoe verhoudt dit aanbod zich tot de kerndoelen, is er een analyse van het aanbod en hoe wordt op basis van de analyse gewaarborgd dat leerlingen kennis maken met alle onderdelen van het aanbod, zijn er minimumdoelen die alle leerlingen moeten bereiken, wie bewaakt het individuele leerproces van de leerling en op welke manier gebeurt dat, welke bijdrage wil de school leveren aan de bevordering van burgerschap en de integratie van leerlingen in de samenleving en hoe geeft de school daaraan invulling?
- Regeling
- Besluit intrekking toezichtkaders onder vaststelling van beleidsregels Onderzoekskaders NBO PO 2017 en NBO VO 2017
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 01-08-2017
- BWB-id
- BWBR0039762
- Versie
- 2017-08-01_0