wetzoeker

2.2 — Zorgvuldigheidseisen (deel 1) Aanwijzing vervolgingsbeslissing inzake actieve levensbeëindiging op verzoek (euthanasie en hulp bij zelfdoding)

Zorgvuldigheidseisen

Artikel 2, eerste lid, van de WTL eist dat de arts:

a. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt;

b. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt;

c. de patiënt heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over diens vooruitzichten;

d. met de patiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevond geen redelijke andere oplossing was;

e. tenminste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien en, schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, en

f. de levensbeëindiging medisch zorgvuldig heeft uitgevoerd.

Vervolging geïndiceerd bij schending substantiële zorgvuldigheidseisen

Wanneer de arts volgens de toetsingscommissie niet conform de hiervoor onder a tot en met f genoemde zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld, kan het vermoeden van schuld ontstaan aan overtreding van de artikelen 293 en 294 Sr. Als het Openbaar Ministerie daarna tot het oordeel komt dat de arts aan dit feit schuldig is, dan is vervolging in beginsel geïndiceerd.

Bij de beoordeling van de opportuniteit is de aard van de geschonden norm bepalend. Verdenking van artikel 293/294 Sr wegens schending van een substantiële zorgvuldigheidseis dient, behoudens uitzonderingen, tot strafrechtelijke vervolging te leiden. In alle andere gevallen daarentegen kan voor een (voorwaardelijk) sepot worden gekozen. Substantiële zorgvuldigheidseisen zijn de eis dat het verzoek vrijwillig en weloverwogen is en de eis dat sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden.

Het begrip ‘overtuiging’

Alvorens nader in te gaan op een aantal afzonderlijke zorgvuldigheidseisen, is het van belang het begrip ‘overtuiging’ nader toe te lichten. Dit begrip komt drie maal voor in artikel 2, eerste lid, van de WTL, te weten onder a, b en d. Opgemerkt wordt dat voor een succesvol beroep hierop van belang is of deze overtuiging van de arts objectiveerbaar is waar het gaat om de eisen dat het verzoek vrijwillig en weloverwogen is en het lijden uitzichtloos is. Dit wil zeggen dat de overtuiging van de arts aansluit bij het heersende medisch-ethisch inzicht, in andere woorden de professionele standaard van de beroepsgroep. Een arts die (grovelijk) afwijkt van de professionele standaard, wordt niet op grond van zijn particuliere overtuiging over de situatie van zijn patiënt en de behandelmogelijkheden gedisculpeerd. De ondraaglijkheid van het lijden is in hoge mate subjectief (zie ook hierna onder ‘lijden’) maar moet tot op zekere hoogte objectiveerbaar zijn. Indien het lijden van de patiënt niet evident is, zal de arts – mede aan de hand van zijn professionele standaard – moeten kunnen onderbouwen waarom het lijden voor hem invoelbaar is geweest. Een arts die (grovelijk) afwijkt van de professionele standaard, wordt niet op grond van zijn particuliere overtuiging over de situatie van zijn patiënt en de behandelmogelijkheden gedisculpeerd.

Artikel 2 lid 1 onder a: vrijwillig en weloverwogen verzoek

Indien van meet af aan het vermoeden bestaat dat de arts het leven van een ander heeft beëindigd, terwijl er in het geheel geen verzoek is gedaan tot levensbeëindiging, dan zal de zaak door de lijkschouwer direct onder de aandacht van de officier van justitie worden gebracht en is direct sprake van verdenking van een levensdelict. Op dit type zaken ziet deze aanwijzing niet.

Bij schending van artikel 2, eerste lid onder a, van de WTL gaat het om die zaken waarin weliswaar sprake was van een verzoek om het leven te beëindigen maar de toetsingscommissie tot het oordeel is gekomen dat de arts niet tot de overtuiging heeft kunnen komen dat de patiënt vrijwillig en weloverwogen tot dat verzoek is gekomen.

De zorgvuldigheidseis dat het verzoek van de patiënt vrijwillig en weloverwogen is, is zoals gezegd een substantiële zorgvuldigheidsnorm. Indien deze norm wordt geschonden, ligt strafrechtelijke vervolging in de rede. Hierbij kan gedacht worden aan situaties waarin:

• de patiënt onder druk of invloed (van anderen of door gebrek aan zorg) zijn verzoek heeft gedaan;

• de arts in geobjectiveerde zin niet tot de overtuiging heeft kunnen komen dat het verzoek weloverwogen was, bijvoorbeeld omdat de patiënt onvoldoende geïnformeerd was over de gestelde diagnoses, prognoses en behandel- en (palliatieve) verzorgingsmogelijkheden;

• de patiënt niet in staat was zijn wil te uiten;

• geen sprake was van een consistent verzoek van de patiënt.

De wet stelt niet de eis dat een verzoek tot levensbeëindiging op schrift is gesteld.

In het geval dat de patiënt op het moment waarop wordt besloten tot levensbeëindigend handelen niet (langer) wilsbekwaam is, zijn de zorgvuldigheidseisen van de WTL enkel van toepassing indien sprake is van een schriftelijke wilsverklaring die is afgelegd voordat sprake was van wilsonbekwaamheid (artikel 2, tweede lid, WTL) en die ziet op de situatie waarin de levensbeëindiging plaatsvindt. De beoordeling van de zorgvuldigheidseisen dient dan uiteraard nog steeds plaats te vinden aan de hand van de actuele situatie waarin de patiënt zich bevindt, dat wil zeggen op het moment dat de schriftelijke wilsverklaring wordt ingeroepen en daadwerkelijk tot levensbeëindiging wordt besloten.

De WTL is niet van toepassing wanneer een patiënt niet als wilsbekwaam kan worden aangemerkt en de hiervoor beschreven (adequate) schriftelijke wilsverklaring ontbreekt.

Weloverwogen veronderstelt een zorgvuldige afweging van de patiënt op basis van volledige informatie en een helder inzicht in het ziektebeeld. De zorgvuldigheidseisen genoemd in artikel 2, eerste lid onder c en d, van de WTL (voorlichting en de afwezigheid van een redelijk andere oplossing) zijn aspecten van het weloverwogen zijn van een verzoek en worden daarom in deze aanwijzing niet apart genoemd.

Artikel 2 lid 1 onder b: Uitzichtloosheid en ondraaglijkheid van het lijden

Bij twijfel of aan deze eis is voldaan, is het starten van een strafrechtelijk onderzoek geïndiceerd. Wanneer uit het onderzoek volgt dat geen sprake was van uitzichtloos en/of ondraaglijk lijden, ligt strafvervolging in de rede nu ook deze eis een substantiële zorgvuldigheidsnorm betreft.

Een bijzondere situatie doet zich voor wanneer de toetsingscommissie van oordeel is dat de arts niet tot de overtuiging heeft kunnen komen dat sprake was van uitzichtloos en/of ondraaglijk lijden, bijvoorbeeld doordat er geen consultatie heeft plaatsgevonden door een tweede onafhankelijke arts of wanneer de verslaglegging door de arts gebrekkig was. Ook dan ligt een strafrechtelijk onderzoek in de rede, waarin onder meer wordt onderzocht of achteraf bezien objectieve redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat sprake is geweest van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. Wanneer het College tot die overtuiging kan komen, kan alsnog geconcludeerd worden dat de arts geen substantieel strafrechtelijk verwijt meer valt te maken. In die gevallen resteert dan een lichter verwijt. Te denken valt aan de overtreding van artikel 7, tweede lid van de Wet op de lijkbezorging

4 Overtreding waarop een hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie staat.

, te weten het niet voldoen aan de verplichting dat de arts een beredeneerd verslag opmaakt dat de toetsingscommissie in staat stelt te beoordelen of de arts overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld (artikel 8, eerste lid WTL).

Regeling
Aanwijzing vervolgingsbeslissing inzake actieve levensbeëindiging op verzoek (euthanasie en hulp bij zelfdoding)
Soort
Beleidsregel
Geldend vanaf
17-05-2017
BWB-id
BWBR0039555
Versie
2017-05-17_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl