wetzoeker

Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding

Wet van 10 februari 2017, houdende tijdelijke regels inzake het opleggen van vrijheidsbeperkende maatregelen aan personen die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid of die voornemens zijn zich aan te sluiten bij terroristische strijdgroepen en inzake het weigeren en intrekken van beschikkingen bij ernstig gevaar voor gebruik ervan voor terroristische activiteiten (Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding)

Soort
Wet
Geldend vanaf
26-02-2022
Rechtsgebied
Openbare orde en veiligheidsrecht
Ministerie
Veiligheid en Justitie
BWB-id
BWBR0039210
Versie
2022-02-26_0
SHA-256 bron
73e58184452b29a55b57f28ef1d4d918cffddfeffd2589fb4c025ea93e6316ad

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (19)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 2
  3. Artikel 2a
  4. Artikel 3
  5. Artikel 4
  6. Artikel 5
  7. Artikel 6
  8. Artikel 7
  9. Artikel 7a
  10. Artikel 7b
  11. Artikel 8
  12. Artikel 9
  13. Artikel 10
  14. Artikel 11
  15. Artikel 12
  16. Artikel 13
  17. Artikel 14
  18. Artikel 15
  19. Artikel 16

§ 1 — Inleidende bepalingen

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie en Veiligheid;

b. Schengengebied: het grondgebied van de staten waarop de Schengengrenscode van toepassing is;

c. Schengengrenscode: Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PbEU 2016, L77).

§ 2 — Individuele maatregelen

Artikel 2

1 Onze Minister kan, indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid, aan een persoon die op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan, een maatregel opleggen, strekkende tot beperking van de vrijheid van beweging.

2 Een maatregel kan bestaan uit:

a. een verplichting om zich op door Onze Minister vast te stellen tijdstippen te melden bij een door Onze Minister aangewezen politiechef of organisatie;

b. een verbod om zich te bevinden in of in de omgeving van een of meer bepaalde objecten dan wel in een bepaald gedeelte of bepaalde delen van Nederland, dat niet groter is of die niet groter zijn dan strikt noodzakelijk voor de bescherming van de nationale veiligheid;

c. een verbod om zich te bevinden in de nabijheid van een of meer bepaalde personen.

§ 2 — Individuele maatregelen

Artikel 2a

1 Indien dat noodzakelijk is met het oog op de naleving van een verbod als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, kan Onze Minister besluiten tot het toepassen van een technische voorziening waarmee toezicht wordt gehouden op de naleving van dat verbod.

2 Het in het eerste lid bedoelde besluit wordt ingetrokken zodra het niet meer noodzakelijk is met het oog op de naleving van een verbod als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel b.

3 Artikel 4, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op de bekendmaking van een besluit op grond van het eerste lid.

4 Voor de toepassing van de in het eerste lid bedoelde technische voorziening kan Onze Minister een krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen reclasseringsinstelling aanwijzen.

5 Onze Minister kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven ter zake van de toepassing van de in het eerste lid bedoelde technische voorziening.

§ 2 — Individuele maatregelen

Artikel 3

Onze Minister kan, indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid, aan een persoon een verbod opleggen het Schengengebied te verlaten, indien ten aanzien van deze persoon het gegronde vermoeden bestaat dat deze zich buiten dit grondgebied zal begeven met als doel zich aan te sluiten bij een organisatie die is geplaatst op de lijst van organisaties, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap.

§ 2 — Individuele maatregelen

Artikel 4

1 Een maatregel als bedoeld in de artikelen 2 en 3 wordt opgelegd voor een periode van ten hoogste zes maanden, maar niet langer dan strikt noodzakelijk is voor de bescherming van de nationale veiligheid. De maatregel kan worden verlengd met een telkens door Onze Minister vast te stellen periode van ten hoogste zes maanden.

2 Indien dat aanvaardbaar is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid kan Onze Minister op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit een opgelegde maatregel. Onze Minister kan aan de ontheffing voorschriften verbinden.

3 Onze Minister wijzigt een opgelegde maatregel ten gunste van de betrokkene of trekt hem in, indien nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven. Onze Minister kan op grond van nieuwe feiten of omstandigheden een maatregel wijzigen ten nadele van de betrokkene.

4 Een maatregel wordt in ieder geval ingetrokken zodra deze niet langer noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid.

5 Indien de situatie dermate spoedeisend is dat Onze Minister de beslissing tot het opleggen, wijzigen of verlengen van een maatregel niet tevoren op schrift kan stellen, maakt Onze Minister de beslissing op een door hem te bepalen wijze aan de betrokkene bekend. In dat geval zorgt hij alsnog onverwijld voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking aan belanghebbende overeenkomstig artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht.

§ 2 — Individuele maatregelen

Artikel 5

1 De rechtbank behandelt het beroep tegen een besluit omtrent het opleggen, wijzigen, verlengen of intrekken van een maatregel als bedoeld in de artikelen 2 en 3, een besluit omtrent het toepassen van een technische voorziening als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, en een besluit omtrent het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 4, tweede lid, met toepassing van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht.

2 De rechtbank houdt bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd. De rechtbank verzoekt Onze Minister om zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de wederpartij en de rechtbank te laten weten of de ingeroepen feiten en omstandigheden aanleiding zijn voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit.

§ 3 — De afwijzing van aanvragen en intrekking van beschikkingen

Artikel 6

Een bestuursorgaan kan een aanvraag voor een subsidie, vergunning, ontheffing of erkenning afwijzen dan wel een beschikking ter zake van een subsidie, vergunning, ontheffing of erkenning intrekken, indien:

a. de aanvrager, subsidieontvanger of houder van een vergunning, ontheffing of erkenning op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan; en

b. ernstig gevaar bestaat dat de subsidie, vergunning, ontheffing of erkenning mede zal worden gebruikt ten behoeve van terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan.

§ 4 — Voorbereiding en overleg

Artikel 7

1 Alvorens een besluit te nemen omtrent het opleggen, wijzigen, verlengen of intrekken van een maatregel als bedoeld in de artikelen 2 en 3 of omtrent het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 4, tweede lid, overlegt Onze Minister met de burgemeester van de gemeente waar degene tot wie het voorgenomen besluit zich richt woon- of verblijfplaats heeft alsmede andere bij het voorgenomen besluit betrokken burgemeesters, tenzij de spoedeisendheid van de situatie daaraan in de weg staat. In dat geval informeert Onze Minister deze burgemeesters hierover onverwijld.

2 Alvorens een besluit te nemen op grond van artikel 6, dan wel het ontwerp van het te nemen besluit overeenkomstig artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage te leggen, overlegt een bestuursorgaan met Onze Minister.

3 Aan de artikelen 4:7 en 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht wordt niet eerder toepassing gegeven dan nadat het in het eerste en tweede lid bedoelde overleg heeft plaatsgevonden.

§ 4a — Verwerking van bijzondere persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard

Artikel 7a

1 Gelet op artikel 9, tweede lid, onderdeel g, van de Algemene verordening gegevensbescherming, is het verbod om gegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen blijken en verwerking van gegevens over gezondheid als bedoeld in paragraaf 3.1 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming te verwerken niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door Onze Minister voor zover de verwerking van deze gegevens noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn bevoegdheden op grond van deze wet.

2 Gelet op artikel 10 van de Algemene verordening gegevensbescherming mag Onze Minister persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming verwerken, indien de verwerking noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn bevoegdheden op grond van deze wet.

§ 4a — Verwerking van bijzondere persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard

Artikel 7b

De in artikel 7a bedoelde persoonsgegevens worden vernietigd zodra zij niet langer noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de bevoegdheden op grond van deze wet, in ieder geval uiterlijk 5 jaar na de laatste verwerking.

§ 5 — Slotbepalingen

Artikel 8

1 Opzettelijk handelen in strijd met een verplichting of verbod, opgelegd krachtens artikel 2, eerste lid, artikel 3, of de voorschriften, verbonden aan een ontheffing als bedoeld in artikel 4, tweede lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

2 Opzettelijk onttrekken aan controle middels een technische voorziening als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

3 De in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.

§ 5 — Slotbepalingen

Artikel 9

Wijzigt het Wetboek van Strafvordering.

§ 5 — Slotbepalingen

Artikel 10

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

§ 5 — Slotbepalingen

Artikel 11

Wijzigt deze wet.

§ 5 — Slotbepalingen

Artikel 12

Onze Minister zendt voor 1 september 2024 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

§ 5 — Slotbepalingen

Artikel 13

1 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. In dat besluit wordt zo nodig toepassing gegeven aan artikel 12 van de Wet raadgevend referendum.

2 Deze wet vervalt met ingang van 1 maart 2027.

§ 5 — Slotbepalingen

Artikel 14

Wijzigt het Wetboek van Strafvordering.

§ 5 — Slotbepalingen

Artikel 15

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

§ 5 — Slotbepalingen

Artikel 16

Deze wet wordt aangehaald als: Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding.