7.3.1 — Vogels Kavelbesluit I windenergiegebied Hollandse Kust (zuid)
Vogels
In het plangebied komen veel verschillende vogelsoorten voor. Voor effectbepaling zijn de vogels conform het MER onder te verdelen in drie categorieën:
• Vogels tijdens het trekseizoen.
• Lokaal verblijvende niet-broedvogels.
• Broedende kolonievogels vanuit beschermde Natura 2000-gebieden die het plangebied kunnen bereiken.
De laatste categorie is in de Passende Beoordeling onderzocht.
Trekvogels – effecten op vogels windpark kavel I
De energetische gevolgen door barrièrewerking zijn voor alle trekvogelsoorten verwaarloosbaar klein. Voor aanvaringen met windturbines wordt onder de groep van zangvogels het grootste aantal slachtoffers verwacht. De additionele jaarlijkse sterfte als gevolg van aanvaringen blijft echter voor alle soorten ruim beneden de 1% mortaliteitsnorm (ORNIS-criterium) welke gehanteerd wordt om te bepalen of er sprake is van negatieve effecten op populatieniveau. Aantasting van de gunstige staat van instandhouding ten gevolge van aanvaringen kan daarom worden uitgesloten.
Trekvogels – cumulatieve effecten
In het KEC zijn de cumulatieve effecten ten gevolge van aanvaringen onderzocht. Het maximale effect wordt berekend voor de kleine zwaan, waar het cumulatieve effect 44% van de PBR bedraagt. Aantasting van de gunstige staat van instandhouding ten gevolge van aanvaringen kan daarom worden uitgesloten.
Verblijvende vogels – effecten op vogels windpark kavel I
Als gevolg van een windpark in kavel I kunnen vogels het gebied vermijden of in aanvaring komen met de windturbines. Met name jan-van-genten, zeekoeten en alken kunnen mogelijk het gebied vermijden, waarbij het vermeden gebied zo groot is als kavel I. Het gaat daarbij maximaal om een gebied van 56,6 km2. In relatie tot het totale beschikbare areaal aan leefgebied is het leefgebiedsverlies als gevolg van kavel I dusdanig klein dat dit verwaarloosbaar is.
Onder kleine mantelmeeuwen worden de hoogste aantallen aanvaringsslachtoffers verwacht. Afgezet tegen het maximaal toelaatbare effect op populatieniveau (PBR), treedt bij deze soort ook het grootste effect. Voor deze soort is het effect ten gevolge van aanvaringsslachtoffers door een windpark in kavel I maximaal 4,3% van de PBR. Aantasting van de gunstige staat van instandhouding ten gevolge van aanvaringen kan daarom voor alle verblijvende vogelsoorten worden uitgesloten.
Verblijvende vogels – cumulatieve effecten op vogels
Voor verblijvende vogels zijn de cumulatieve gevolgen in het KEC onderzocht via leefgebiedsverlies (vermijding) en aanvaringsslachtoffers. De vermijdingseffecten onder zeevogels zijn het grootst voor zeekoet en alk. Hoewel de effecten van vermijding voor een enkel windpark verwaarloosbaar zijn, is dit niet het geval wanneer bestaande en geplande windparken samen worden beschouwd. Worst case wordt aangenomen dat ten gevolge van het verlies aan leefgebied 10% van de dieren die vermijding vertonen sterven. Voor de zeekoet, de meest gevoelige soort voor dit type effect, wordt berekend dat het aantal slachtoffers dat sterft als gevolg van verlies aan leefgebied in cumulatie neerkomt op ongeveer 13% van de PBR. De gunstige staat van instandhouding komt hiermee niet in het geding.
Als gevolg van aanvaringen zijn de hoogste aantallen slachtoffers te verwachten onder de kleine mantelmeeuw, grote mantelmeeuw en zilvermeeuw. Het aantal slachtoffers voor de kleine mantelmeeuw overschrijdt in het onderzochte internationale worst case scenario de PBR van de zuidelijke Noordzee
46 ‘Slachtofferberekeningen voor windparken in de zuidelijke Noordzee met bestaande of geplande turbinetypes’ door Bureau Waardenburg, 18 juni 2015, 14282/15.03620/AbeGy.
.
Er zijn ook analyses uitgevoerd waarin het aantal door Nederlandse parken veroorzaakte slachtoffers wordt vergeleken met een op Nederlandse populaties gebaseerde PBR. Reden hiervoor is dat voor het NCP meer betrouwbare en gedetailleerde verspreidingsdata van vogels beschikbaar zijn dan voor de gehele zuidelijke Noordzee. Bovendien is voor het NCP ook meer zekerheid over de tot en met 2023 op te richten windparken. De onzekerheidsmarge in resultaten is bij deze analyse daarom kleiner. Bij deze analyses zijn tevens de effecten van het gebruik van de 10-12 mijlszone bij windenergiegebied Hollandse Kust meegenomen
47 A. Gyimesi ‘Zilvermeeuw slachtofferaantallen bij vier scenario’s van SER windparken’ Notitie 15-314, Bureau Waardenburg bv.
. Uit deze analyses blijkt dat de Nederlandse PBR niet wordt overschreden wanneer het Energieakkoord gerealiseerd wordt met gemiddeld 63 turbines per park.
Voor kavel I van windenergiegebied Hollandse Kust (zuid) wordt daarom de bovengrens voor het aantal turbines vastgesteld op 63, minimaal 6 MW per turbine. Er is gekozen om in de kavels I en II van windenergiegebied Borssele een bovengrens van 95 turbines te hanteren (minimaal 4 MW per turbine). Daarom zullen in de kavels gelegen in het windenergiegebied Hollandse Kust (noord) van het Energieakkoord maximaal 47 turbines per kavel moeten worden voorgeschreven (minimaal 8 MW per turbine) om gemiddeld uit te komen op maximaal 63 turbines per park (gemiddeld 6 MW per turbine). Hiermee blijft het gezamenlijke effect van de Nederlandse windparken op zee kleiner dan de PBR van de ‘Nederlandse’ populatie van die soorten en worden significant negatieve effecten voorkomen.
Passende Beoordeling – vogels
Negatieve effecten op soorten met een instandhoudingsdoel in Natura 2000-gebieden kunnen enkel optreden via zogenaamde externe werking. Vanwege de afstand tot Natura 2000-gebieden kunnen visuele effecten worden uitgesloten en gaat het enkel om aanvaringslachtoffers uit de beschermde Natura 2000-gebieden. Er zijn geen vogelsoorten die het windpark in kavel I kunnen bereiken vanuit beschermde broedkolonies in Natura 2000-gebieden.
Passende Beoordeling – vogels cumulatief
Met het aanpassen van de ondergrens voor de turbinegrootte wordt het duurzame voortbestaan van de populatie van vogels niet aangetast als gevolg van de exploitatie van een windpark in kavel I. Omdat de gunstige staat van instandhouding van vogelpopulaties in de EEZ niet in gevaar wordt gebracht, zijn significant negatieve effecten op doelaantallen in Natura 2000-gebieden uit te sluiten.
- Regeling
- Kavelbesluit I windenergiegebied Hollandse Kust (zuid)
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 17-07-2026
- BWB-id
- BWBR0039095
- Versie
- 2026-07-17_0