wetzoeker

1 — Achtergrond Besluit vaststelling beleidsregels subsidieplafond subsidiëring Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid)

Achtergrond

De betrokkenheid van Nederland bij het internationaal bestrijden van kinderarbeid heeft een lange geschiedenis. Nederland spant zich al jaren in voor normstelling op het gebied van kinderarbeid in het kader van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO). Nederland organiseerde in 1997 de eerste mondiale anti-kinderarbeid conferentie, die leidde tot de breed omarmde ILO-conventie nr. 182 over uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid. Deze conventie vormt samen met de ILO-conventie 138 over de minimum leeftijd voor arbeid nog steeds het normatieve kader tegen kinderarbeid. Nederland blijft zich inspannen voor verdere ratificatie en vooral betere naleving van deze verdragen. Een belangrijk moment hiervoor was de tweede mondiale anti-kinderarbeid conferentie in 2010 in Den Haag. Tijdens die conferentie werd een ‘Roadmap’ aangenomen die ervoor moest zorgen dat de ergste vormen van kinderarbeid in 2016 zouden zijn uitgebannen.

2 http://www.ilo.org/ipecinfo/product/download.do?type=document&id=13453.

Er zijn echter wereldwijd nog steeds 168 miljoen kinderen aan het werk. In de nieuwe VN-ontwikkelingsdoelen (SDG’s) is daarom afgesproken om kinderarbeid uiterlijk in 2025 uit te bannen.

Van kinderarbeid

3 De ILO-definiëring wordt gebruikt, http://www.ilo.org/ipec/facts/ILOconventionsonchildlabour/lang--en/index.htm en http://www.ilo.org/dyn/normlex/en/f?p=NORMLEXPUB:12100:0::NO::P12100_ILO_CODE:C138

is sprake wanneer kinderen te jong zijn, het werk te zwaar is, het onderwijs in de weg staat of het ronduit gevaarlijk werk is dat hun lichamelijke en/of geestelijke gezondheid bedreigt. Niet alleen de kinderen zelf wordt hiermee hun toekomst en een beter leven ontnomen, ook de ontwikkeling van de maatschappij waarin ze leven wordt gehinderd door bijvoorbeeld slecht geschoolde volwassenen. Kinderarbeid is niet alleen een gevolg van armoede, het veroorzaakt juist ook armoede. Kinderarbeid vindt met name plaats in opkomende markten en ontwikkelingslanden waar overheden tekortschieten in het beschermen van rechten en waarin bedrijven hooguit een deel van de oplossing van een probleem kunnen bieden. Het onderstaande overzicht geeft enig inzicht in het vóórkomen van kinderarbeid in de wereld.

Bron: https://maplecroft.com/media/updatable/news/child_labour_index_map_2014.jpg

De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (hierna: de minister) verwacht van Nederlandse bedrijven dat zij de OESO-Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen

4 http://www.oesorichtlijnen.nl

naleven, en zodoende niet door hun eigen activiteiten mensenrechtenschendingen zoals kinderarbeid in hun internationale productieketens veroorzaken of eraan bijdragen en deze waar ze vóórkomen aanpakken

5 OESO-richtlijnen – V. Werkgelegenheid en arbeidsverhoudingen

. Waar ze er niet aan bijdragen, wordt van de bedrijven verwacht dat ze manieren zoeken om mensenrechtenschendingen zoals kinderarbeid te voorkómen en de effecten te mitigeren als het direct verbonden is met hun operaties, producten en diensten door een zakelijke relatie.

6 OESO-richtlijnen – II. Algemene beginselen voor bedrijfsbeleid, artikelen 11 en 12

Van bedrijven wordt verwacht dat ze hiertoe een due diligence proces uitvoeren.

7 OESO-richtlijnen – II. Algemene beginselen voor bedrijfsbeleid, artikel 10 van OESO

Twee jaar geleden kondigde het kabinet aan te streven naar het afsluiten van convenanten op het gebied van internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) met het Nederlands bedrijfsleven en haar stakeholders. Er is een MVO Sectorrisicoanalyse uitgevoerd

8 Kamerstukken II 2014/15, 26 485, nr. 197, 19 november 2014

met als doel om internationaal MVO en het toepassen van daarop gerichte due diligence bij bedrijven te bevorderen. Naar aanleiding van de resultaten werkt het bedrijfsleven inmiddels meer en meer samen met betrokken partijen om tot verbeteringen op IMVO-gebied te komen. Het eerste convenant dat is gesloten is dat van de kleding- en textielsector (getekend op 4 juli 2016). In alle IMVO-convenanten die worden gesloten in de sectoren waar kinderarbeid als één van de grotere risico’s is geïdentificeerd, moeten de betrokken bedrijven duidelijk maken hoe ze met deze risico’s omgaan. De verantwoordelijkheid om hier overtuigend invulling aan te geven ligt bij het bedrijfsleven.

Naar aanleiding van een amendement van de Tweede Kamer op de begrotingswet van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 5 november 2015, heeft de begrotingswetgever middelen ter beschikking gesteld om multi stakeholder initiatieven tegen kinderarbeid van bedrijven, overheden en andere organisaties te stimuleren. Deze middelen benut de minister voor het Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid. De minister wil door middel van dit subsidieprogramma (Nederlandse) bedrijven aansporen creatief na te denken over mogelijkheden om kinderarbeid uit de productieketens te bannen. Waarbij het belangrijk is dat bedrijven in dezelfde sector samenwerken. Als bedrijven bijvoorbeeld kunnen laten zien wat zij doen om te zorgen dat hun producten vrij van kinderarbeid zijn, dan kunnen consumenten beter geïnformeerde keuzes maken over hun aankopen. De verbetering van reputaties van Nederlandse bedrijven is daarbij een belangrijk effect, maar is niet de primaire doelstelling van dit subsidieprogramma. Dit subsidieprogramma beoogt bij te dragen aan het daadwerkelijk bestrijden van kinderarbeid en de inzet van de daadwerkelijke invloed die Nederlandse bedrijven daarop kunnen hebben in een multi-stakeholder samenwerking.

Regeling
Besluit vaststelling beleidsregels subsidieplafond subsidiëring Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Fonds Bestrijding Kinderarbeid)
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
12-11-2016
BWB-id
BWBR0038707
Versie
2016-11-12_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl