wetzoeker

4.1 — Internationaal juridisch kader Circulaire Vliegtuigberging

Internationaal juridisch kader

Op grond van de toepasselijke bepalingen van het internationaal humanitair recht zoals vermeld in de Verdragen van Genève en het eerste aanvullende protocol, rust op de Nederlandse overheid een aantal zorgplichten. Zo dient zij er voor zorg te dragen dat een graf wordt ontzien en te allen tijde kan worden teruggevonden.

Voorts is de Nederlandse overheid op grond van voormelde bepalingen belast met de identificatie van menselijke stoffelijke resten bij eventuele opgravingen. Om aan de verdragsverplichting van de Nederlandse overheid betreffende de identificatie van deze stoffelijke resten op een verantwoorde wijze te voldoen, dient ook de berging van het vliegtuigwrak zelf zorgvuldig plaats te vinden en dient betrokkenheid van de BIDKL gewaarborgd te zijn.

Indien de ambassade van een verdragsstaat, al dan niet als vertegenwoordiger van een nabestaande, de uitdrukkelijke wens kenbaar maakt tot herbegraven dan wel tot overbrenging van stoffelijke overschotten naar het land van herkomst, bestaat daarmee voor de Nederlandse overheid nog geen verdragsrechtelijke verplichting om tot berging over te gaan. Wel kan men, op grond van gevoerd beleid, spreken van een inspanningsverplichting. Deze inspanningsverplichting richt zich op het meenemen van overwegingen van piëteit ten aanzien van zowel de gesneuvelden als nabestaanden in het totale afwegingsproces van het gemeentebestuur, waarbij ook overige betrokken belangen aan de orde komen, zoals dwingende redenen van openbare orde en veiligheid of het algemeen belang. Gelet op de strekking van de internationale verdragen, moet bedacht worden dat de grafrust en piëteitsoverwegingen ten aanzien van de overledenen van overwegend belang kunnen zijn bij het besluit het oorlogsgraf ongemoeid te laten.

Indien door het gemeentebestuur wordt besloten tot berging over te gaan zal de Rijksoverheid hierbij vervolgens een ondersteunende rol vervullen. In dit kader wordt de EODD, dan wel de PVE CBRNe, kosteloos aan het gemeentebestuur, zijnde de opdrachtgever, ter beschikking gesteld. Slechts wanneer inzet van Defensiemiddelen is gebonden aan regels voor marktoptreden door de Rijksoverheid worden dientengevolge kosten in rekening gebracht.

Het eerste aanvullende protocol bij de Verdragen van Genève legt verdragspartijen in het algemeen een verplichting op om zorgvuldig om te gaan met de stoffelijke resten van in een conflict op hun grondgebied omgekomen militairen. Persoonlijke bezittingen van de overledenen dienen aan de nabestaanden te worden teruggegeven. Het opgraven van stoffelijke overschotten is slechts toegestaan, indien sprake is van een uitdrukkelijke wens van de ambassade van het land van herkomst, al dan niet namens een nabestaande (zoals hierboven aangegeven) of wanneer opgraving dwingend is geboden door het algemeen belang (waaronder in ieder geval wordt begrepen openbare orde en veiligheid en medische noodzaak).

Verdragspartijen worden op grond van het bepaalde in de Verdragen van Genève en in het eerste aanvullende protocol ook verplicht nadere uitvoering te geven aan die verdragsbepalingen door met elkaar nadere afspraken te maken. Nederland heeft dientengevolge met de Verenigde Staten, met de landen van het Gemenebest en met Duitsland afspraken gemaakt over de wijze van informeren over de vondst van stoffelijke resten en de eventuele overdracht daarvan.

Regeling
Circulaire Vliegtuigberging
Soort
Circulaire
Geldend vanaf
19-10-2016
BWB-id
BWBR0038631
Versie
2016-10-19_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl