P11 — Hoe schat u nu uw eigen werkvermogen in om repressief brandweerwerk uit te voeren met betrekking tot de mentale/psychische eisen die het werk aan u stelt? Regeling personeel brandweer BES
Hoe schat u nu uw eigen werkvermogen in om repressief brandweerwerk uit te voeren met betrekking tot de mentale/psychische eisen die het werk aan u stelt?
Omcirkel hieronder de beschrijving die het beste bij u past:
slecht | onvoldoende | voldoende | ruim voldoende | goed
P12. Hieronder vindt u 11 stellingen met betrekking tot uw herstelbehoefte na het werk. Geef door 'nee' of 'ja' aan te vinken/kruisen aan hoe u zich de afgelopen 4 weken NA het werk voelde.
Herstelbehoefte na uw werk
1. Ik vind het moeilijk om me te ontspannen aan het einde van een dienst. | Nee | Ja
2. Aan het einde van een dienst ben ik echt op. | Nee | Ja
3. Mijn baan zorgt dat ik me aan het einde van een dienst nogal uitgeput voel. | Nee | Ja
4. Na het eten na afloop van een dienst voel ik me meestal nog vrij fit. | Nee | Ja
5. Ik kom meestal pas op een tweede vrije dag tot rust. | Nee | Ja
6. Het kost mij moeite om me te concentreren in mijn vrije uren na het werk. | Nee | Ja
7. Ik kan weinig belangstelling opbrengen voor andere mensen wanneer ik net ben thuisgekomen. | Nee | Ja
8. Het kost mij over het algemeen meer dan een uur voordat ik helemaal hersteld ben na mijn werk. | Nee | Ja
9. Als ik thuis kom moeten ze mij even met rust laten. | Nee | Ja
10. Het komt vaak voor dat ik door vermoeidheid niet meer toekom aan andere bezigheden. | Nee | Ja
11. Het komt voor dat ik tijdens het laatste deel van een dienst door vermoeidheid mijn werk niet mee zo goed kan doen. | Nee | Ja
P13. Hieronder staan situaties waarbij mensen kunnen wegdoezelen of in slaap vallen door vermoeidheid of een gevoel van slaperigheid.
Kruis per onderstaande situatie 1 antwoord aan waarmee u de kans inschat dat u in die situatie zou wegdoezelen of in slaap zou vallen. Indien u niet recentelijk één van de onderstaande situaties hebt meegemaakt, probeert u zich dan in te denken hoe u zich zou voelen.
Situatie: | Geen kans | Kleine kans | Aardige kans | Grote kans
–1. Tijdens een gesprek met iemand anders | | | |
–2. Tijdens een bezoek aan familie of vrienden | | | |
–3. Tijdens een passieve ontspanning (lezen, tv kijken) | | | |
–4. Tijdens een actieve ontspanning (klusjes, handarbeid) | | | |
–5. Als medereiziger tijdens een auto- of treinrit van 1 uur | | | |
–6. In de auto wanneer u 5 minuten moet wachten (stoplicht, file) | | | |
–7. 's Middags of 's avonds na het eten | | | |
–8. Tijdens werktijd | | | |
Hieronder staan twee lijsten met problemen die mensen kunnen ervaren.
Lees ieder probleem zorgvuldig door en vink/kruis het vakje aan bij de omschrijving die het beste weergeeft in hoeverre u last had van dat probleem gedurende de afgelopen week, inclusief vandaag.
P14-. Hoeveel last had u in de afgelopen week inclusief vandaag van... | Helemaal geen | Een beetje | Nogal | Tamelijk veel | Heel veel
–1. ... gedachten aan zelfmoord | | | | |
–2. ... je eenzaam voelen | | | | |
–3. ... je somber voelen | | | | |
–4. ... geen interesse kunnen opbrengen voor dingen | | | | |
–5. ... je hopeloos voelen over de toekomst | | | | |
–6. ... het gevoel dat je niets waard bent | | | | |
P15-. Hoeveel last had u in de afgelopen week inclusief vandaag van... | Helemaal geen | Een beetje | Nogal | Tamelijk veel | Heel veel
–1. ... zenuwachtigheid of beverigheid | | | | |
–2. ... zomaar plotseling bang worden | | | | |
–3. ... bang zijn | | | | |
–4. ... je gespannen en opgefokt voelen | | | | |
–5. ... aanvallen van angst of paniek | | | | |
–6. ... je zo rusteloos voelen dat je niet stil kan blijven zitten | | | | |
Hieronder staan 15 uitspraken die mensen doen na het meemaken van een zeer ingrijpende gebeurtenis.
Neem de door u zelf meegemaakte ingrijpende gebeurtenis(sen) in gedachten, bekijk elke uitspraak en kruis aan hoe vaak de uitspraken op u zelf van toepassing was tijdens de afgelopen ZEVEN DAGEN.
E4-. | Helemaal niet | Zelden | Soms | Vaak
–1.Ik dacht eraan zonder dat ik dat wilde | | | |
–2. Ik zorgde ervoor niet van streek te raken als ik eraan dacht of eraan herinnerd werd | | | |
–3. Ik probeerde de gebeurtenis uit mijn geheugen te bannen | | | |
–4. Ik kon moeilijk in slaap vallen of in slaap blijven omdat beelden en gedachten erover door mijn hoofd gingen | | | |
–5. Bij vlagen had ik er sterke gevoelens over | | | |
–6. Ik droomde erover | | | |
–7. Ik bleef dingen die mij eraan herinneren uit de weg gaan | | | |
–8. Ik had het gevoel alsof het niet echt gebeurd was, alsof het niet echt was | | | |
–9. Ik heb geprobeerd er niet over te praten | | | |
–10. Beelden ervan schoten me in gedachten | | | |
–11. Andere dingen deden mij er steeds weer aan denken | | | |
–12. Ik wist dat ik er nog heel wat gevoelens over had, maar hield er geen rekening mee | | | |
–13. Ik heb geprobeerd er niet aan te denken | | | |
–14. Iedere herinnering bracht de gevoelens weer terug | | | |
–15. Mijn gevoel erover was als het ware verdoofd | | | |
- Regeling
- Regeling personeel brandweer BES
- Soort
- Ministeriële regeling BES
- Geldend vanaf
- 01-07-2016
- BWB-id
- BWBR0038150
- Versie
- 2016-07-01_0