B3.2.4 — Spanningsmeetcircuits Meetcode elektriciteit
Spanningsmeetcircuits
B3.2.4.1
De nominale primaire spanning van spanningstransformatoren (Usp- pr,nom) waarvan de primaire wikkelingen in ster zijn geschakeld, ligt tussen 52% en 63,5% van de nominale waarde die door de netbeheerder aan de lijnspanning van het net is toegekend (Unom.-verkl.). In formule:
B3.2.4.2
Spanningstransformatoren waarvan de primaire wikkelingen in ster zijn geschakeld met een nominale primaire spanning tussen 90% en 110% van de nominale waarde die door de netbeheerder aan de lijnspanning van het net is toegekend, zijn toegelaten op voorwaarde dat de nauwkeurigheid ervan ook bij 50% van hun nominale primaire spanning voldoet aan de eisen vermeld in de in B3.2.1.1 onderdeel f genoemde norm.
B3.2.4.3
In het in B3.2.4.2 genoemde geval wordt voor de nominale secundaire spanning van de spanningstransformatoren een met een factor √3 gereduceerde waarde gehanteerd.
B3.2.4.4
De nominale primaire spanning van spanningstransformatoren in een Dz0- of Dy11-schakeling ligt tussen 90% en 110% van de nominale waarde die door de netbeheerder is toegekend aan de lijnspanning in het net.
B3.2.4.5
Bij eenfasige spanningstransformatoren in Yy0-schakeling is de N-klem van de primaire wikkeling van elk van de drie transformatoren geaard.
B3.2.4.6
Het sterpunt van de secundaire wikkelingen van de spanningstransformatoren wordt geaard.
B3.2.4.7
Bij spanningstransformatoren in Yyd-schakeling in een zwevend of via Petersen-spoelen geaard net, is òf de N-klem van elk van de drie primaire wikkelingen geaard òf zijn de tertiaire wikkelingen in een kortgesloten driehoekschakeling aangesloten, waarbij het eerste de voorkeur heeft.
B3.2.4.8
Het toepassen van driefasen spanningstransformatoren met driepootskern in geïsoleerde of via Petersen spoelen geaarde elektriciteitsnetten is niet toegestaan.
B3.2.4.9
Bij meetinrichtingen op hoogspanning en bij een lange secundaire bekabeling dienen de capacitieve en inductieve koppeling van de secundaire bekabeling van de spanningsmeetcircuits met de hoogspannings-geleiders en daarmee de optredende stoorspanningen, voldoende te worden beperkt door:
a. de secundaire bekabeling te bundelen en zo kort mogelijk te houden
b. voldoende afstand te houden tussen de secundaire bekabeling en hoogspanningsgeleiders
c. kruisingen met hoogspanningsgeleiders loodrecht uit te voeren.
B3.2.4.10
Van voldoende beperking als bedoeld in B3.2.4.9 is sprake, indien de transiënte stoorspanningen de compatibiliteitsniveaus voor de in de betreffende elektromagnetische omgeving aan te sluiten apparatuur niet overschrijden.
B3.2.4.11
Indien de in B3.2.4.9 genoemde maatregelen niet tot gevolg hebben, dat de in dat artikel genoemde capacitieve en inductieve koppeling voldoende worden beperkt, dan wordt gebruik gemaakt van afgeschermde kabels.
B3.2.4.12
Bij meetinrichtingen aangesloten op hoogspanning is de referentiespanning van de kWh-meters en in voorkomend geval de kvarh-meters gelijk aan de nominale secundaire spanning van de spanningstransformatoren.
B3.2.4.13
Bij aansluitingen op laagspanning is de referentiespanning van de kWh-meters en in voorkomend geval de kvarh-meters gelijk aan (3x)230 V.
B3.2.4.14
De spanningscircuits van een driefasen kWh-meter worden aangesloten met dezelfde fasevolgorde als waarbij deze meter is gejusteerd.
B3.2.4.15
De eis genoemd in B3.2.4.14 geldt niet voor elektronische kWh-meters waarvan uit de resultaten van de in B3.2.3 genoemde typekeuring blijkt dat de draaiveldrichting niet van invloed is op de fouten in de registratie van data als bedoeld in 2.4.4 en/of 4.3.5.1 van deze code.
B3.2.4.16
De spanningsmeetcircuits van meetinrichtingen aangesloten op hoogspanning zijn beveiligd met 6A-smeltveiligheden in de vorm van mespatronen met verzilverde contacten. Indien voldaan wordt aan B3.3.3.8, behoeven bij bestaande meetinrichtingen 6A-smeltveiligheden niet zijnde mespatronen met verzilverde contacten niet te worden vervangen door mespatronen met verzilverde contacten.
B3.2.4.17
Aansluitingen op aftakkingen van spanningstransformatoren als bedoeld in B3.2.4.21 zijn beveiligd met 6A-smeltveiligheden.
B3.2.4.18
Indien het thermische grensvermogen van de spanningstransformatoren voldoende hoog is, zijn in afwijking van B3.2.4.16 10A-mespatronen met verzilverde contacten toelaatbaar.
B3.2.4.19
De spanningsmeetcircuits van meetinrichtingen aangesloten op laagspanning via stroomtransformatoren zijn beveiligd met 10A- smeltveiligheden.
B3.2.4.20
In afwijking van B3.2.4.19 mogen de spanningsmeetcircuits van bestaande meetinrichtingen die via stroomtransformatoren zijn aangesloten op laagspanning beveiligd zijn met 6A smeltveiligheden.
B3.2.4.21
Indien een spanningstransformator meer dan één overzetting heeft, is elke secundaire aftakking van die transformator op een goed bereikbaar klemmenbord aangesloten.
- Regeling
- Meetcode elektriciteit
- Soort
- ZBO-regeling
- Geldend vanaf
- 01-12-2025
- BWB-id
- BWBR0037946
- Versie
- 2025-12-01_0