wetzoeker

Artikel 2.2 Besluit Erfgoedwet archeologie

Uitzonderingen op het opgravingsverbod

1 Het opgravingsverbod in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, is niet van toepassing op opgravingen, voor zover deze worden verricht met gebruik van een metaaldetector en waarbij de bodem niet dieper verstoord wordt dan tot dertig centimeter onder het landoppervlak.

2 De vrijstelling is niet van toepassing op:

a. een rijksmonument;

b. een monument of archeologisch monument waarvoor de toezending van het ontwerpbesluit tot aanwijzing als rijksmonument op grond van artikel 3:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft plaatsgevonden, vanaf de dag van die toezending tot het moment van inschrijving in het rijksmonumentenregister of het moment waarop vaststaat dat het monument of archeologisch monument niet wordt ingeschreven in dat register;

c. een provinciaal monument of een voorbeschermd provinciaal monument als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

d. een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; en

e. terreinen waar een opgraving door een certificaathouder of een opgraving op grond van artikel 2.1 wordt verricht.

3 Artikel 5.10 van de wet is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde opgravingen.

4 Artikel 5.7 van de wet is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde opgravingen.

5 De gemeenteraad kan voor het gehele grondgebied van de gemeente of voor delen daarvan het eerste lid buiten toepassing verklaren.

Regeling
Besluit Erfgoedwet archeologie
Soort
AMvB
Geldend vanaf
01-04-2024
BWB-id
BWBR0037866
Versie
2024-04-01_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl