wetzoeker

5.3 — Verhouding met de Mediawet 2008 Besluit tot veilen vergunningen digitale ethertelevisie en vaststelling voorschriften en beperkingen vergunningen

Verhouding met de Mediawet 2008

Enkele respondenten stellen dat onduidelijk is hoe de verplichting in de vergunning om een programmapakket aan te bieden dat bestaat uit ten minste vijfentwintig televisieprogrammakanalen die hoofdzakelijk door derden zijn geproduceerd zich verhoudt met artikel 6.13 van de Mediawet 2008. In dat artikel is onder meer geregeld dat een aanbieder van een programmapakket ten minste dertig televisieprogrammakanalen dient te verspreiden.

De verplichting om ten minste vijfentwintig televisieprogramma’s te verspreiden is in de vergunning opgenomen om een doelmatig frequentiegebruik te borgen. De vergunning maakt gebruik van schaars spectrum met een grote maatschappelijke waarde. Een doelmatig frequentiegebruik is ermee gediend dat de vergunning niet wordt gebruikt voor het verspreiden van een te beperkt aantal televisieprogrammakanalen. Ook de continuïteit van dienstverlenging is ermee gebaat dat er een substantieel pakket wordt uitgezonden. Deze belangen vallen onder de Telecommunicatiewet en artikel 17, eerste lid, onderdeel a en g, van het Frequentiebesluit 2013 biedt een grondslag om te borgen dat de vergunning doelmatig wordt gebruikt.

Artikel 6.13 van de Mediawet 2008 dient primair het doel van een gevarieerd pakket van radio- en televisiezenders (Kamerstukken II 2012–13, 33 426, nr. 3, p. 1). Beide doelen zijn dus niet gelijk, maar wel complementair. De gegeven zienswijze heeft wel aanleiding gegeven om de definitie van programmapakket in artikel 6.9 van de Mediawet 2008 niet meer geheel over te nemen in artikel 1 van de vergunning. In de geconsulteerde vergunning was aangegeven dat een programma hoofzakelijk door derden geproduceerd dient te worden. Deze eis dient primair een mediawettelijk doel en is om die reden in de definitieve vergunning geschrapt. Bij de keuze om uit het oogpunt van doelmatig frequentiegebruik en continuïteit van dienstverlening de vergunninghouder te verplichten ten minste vijfentwintig televisieprogramma’s uit te zenden is ook rekening gehouden met het gegeven dat aan de NPO een vergunning voor digitale televisie-omroep is verleend voor de verspreiding van haar programma’s en die van de regionale publieke omroepen. Bij het minimale aanbod van vijfentwintig televisieprogrammakanalen dient derhalve ook het aanbod van de publieke omroepen opgeteld te worden. In artikel 6.14d van de Mediawet 2008 is geregeld dat het Commissariaat voor de Media (CvdM) geheel of gedeeltelijk ontheffing kan verlenen van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 6.13, 6.14, 6.14b en 6.14c van de Mediawet 2008 en de op die artikelen berustende voorschriften, als het onverkort nakomen daarvan leidt tot disproportionele kosten, tot een belemmering van innovatie of tot anderszins onredelijke uitkomsten. Het CvdM is onafhankelijk. Ik kan dus geen duidelijkheid geven in welke gevallen het CvdM een ontheffing verleent. Het staat een partij vrij contact op te nemen met het CvdM over de mogelijkheden van een ontheffing.

Regeling
Besluit tot veilen vergunningen digitale ethertelevisie en vaststelling voorschriften en beperkingen vergunningen
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
21-04-2016
BWB-id
BWBR0037843
Versie
2016-04-21_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl