wetzoeker

Meetvoorschriften ter bepaling van interferentieniveau Besluit tot veilen vergunningen digitale ethertelevisie en vaststelling voorschriften en beperkingen vergunningen

Deze meetvoorschriften worden toegepast om het signaalniveau van DVB-T(2) zenders te bepalen op televisieontvangers, aanverwante apparatuur met een antenne-ingang en in coaxiale aansluitsnoeren. De meetvoorschriften gelden uitsluitend voor situaties zoals omschreven in artikel 10 van de vergunningsvoorwaarden.

De volgorde van de metingen is als volgt:

1. Vaststellen van het signaalniveau van DVB-T(2) zenders op televisieontvangers, op aanverwante apparatuur met een antenne-ingang en in coaxiale aansluitsnoeren;

2. Vaststellen van de hoogfrequent dichtheid van de toegepast aansluitsnoeren;

3. Vaststellen van het signaalniveau van de kabelaansluiting.

De meetmethoden zijn als volgt:

1. Vaststellen van het signaalniveau van DVB-T(2) zenders op kabeltelevisiekanalen

Er wordt een standaardmeetsnoer aangelegd met een hoogfrequent dichtheid van 60 dB en een lengte van 5 meter zoveel mogelijk parallel aan het ter plaatse aanwezige aansluitsnoer van het Abonnee Overname Punt (AOP) naar het eerste daarop aangesloten apparaat. Het standaardmeetsnoer wordt aan de zijde van het AOP afgesloten met een afsluitweerstand. De andere zijde van het standaardmeetsnoer wordt aangesloten op een selectieve meetontvanger of een spectrum analyzer. Dit geschiedt met een coaxiaal meetsnoer met een hoogfrequent dichtheid van minimaal 75 dB. Het signaalniveau van die DVB-T(2) zender(s), waarvan aangenomen wordt dat deze interferentie veroorzaakt (veroorzaken), wordt gemeten. Het toe te passen meetinstrument is voorzien van de juiste bandbreedte voor het meten van DVB-T(2) signalen. Als dit niet het geval is, wordt de daarvoor geëigende omrekenfactor gebruikt. De grenswaarde voor het DVB-T(2) signaal is gesteld op 20 dBµV. Deze waarde wordt met 3 dBµV verlaagd als er op het betreffende kabeltelevisienetwerk wordt gepland op basis van een zogenaamd 8-MHz raster conform EN 50083-7.

2. Vaststellen van de hoogfrequentdichtheid van aansluitsnoeren

Dit geschiedt door het vergelijken van de ter plaatse aanwezige aansluitsnoeren met een standaardmeetsnoer dat een hoogfrequent dichtheid heeft van 60 dB. Daartoe vindt de meetmethode volgens punt 1 nogmaals plaats, waarbij het standaardmeetsnoer vervangen wordt door het ter plaatse aanwezige aansluitsnoer. Indien in het ter plaatse aanwezige aansluitsnoer een hoger signaalniveau van DVB-T(2) signalen gemeten wordt dan in het standaardmeetsnoer, is de hoogfrequent dichtheid van het ter plaatse aanwezige aansluitsnoer onvoldoende. Het standaard-meetsnoer kan een consumentensnoer zijn dat aan de betreffende specificaties voldoet.

3. Vaststellen van het signaalniveau van de kabelaansluiting

Het signaalniveau van de kabelaansluiting wordt vastgesteld op het AOP. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van een selectieve meetontvanger, spectrum analyzer of meetinstrument dat specifiek geconstrueerd is voor het meten van televisiesignalen. Het AOP wordt verbonden met het meetinstrument. Dit geschiedt met een coaxiaal meetsnoer met een hoogfrequent dichtheid van minimaal 75 dB. Het signaalniveau wordt gemeten van die tv-zender(s) waarvan aangenomen wordt dat deze last heeft (hebben) van interferentie. In de selectieve meetontvanger of spectrum analyzer is de juiste bandbreedte het meten van AM gemoduleerde tv-signalen aanwezig. Als dit niet het geval is, wordt de daarvoor geëigende omrekenfactor gebruikt. De minimumwaarde voor de kabelsignalen is in de norm EN 50083-7 gesteld op 60 dBµV. Deze waarde wordt met 3 dBµV/ verlaagd als er op het betreffende kabeltelevisienetwerk wordt gepland op basis van een zogenaamd 8-MHz raster conform EN50083-7.

Regeling
Besluit tot veilen vergunningen digitale ethertelevisie en vaststelling voorschriften en beperkingen vergunningen
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
21-04-2016
BWB-id
BWBR0037843
Versie
2016-04-21_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl