wetzoeker

2.7 — Ecologie (deel 1) Kavelbesluit V (innovatiekavel) windenergiegebied Borssele

Ecologie

Algemeen

GDF SUEZ

Z: Indiener is van mening dat de afweging van kosten van het windpark en de ecologische belangen door toepassing van het voorzorgsbeginsel uit balans is.

A: Deze mening wordt niet gedeeld. Het voorzorgsbeginsel vloeit direct voort uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en krijgt daarom in de afweging een zwaarwegende plaats. De realisatie van windenergie op zee zoals verwoord in het Energieakkoord is als uitgangspunt genomen voor de cumulatieve effectbeoordeling (t/m 2023). Hiermee wordt uitwerking gegeven aan het advies van de Commissie voor de m.e.r. op het MER/PB die voor de partiële herziening van het Nationaal Waterplan (2009–2015) is opgesteld. Door deze werkwijze wordt de kans verhoogd om de routekaart te voltooien zonder belemmeringen als gevolg van het mogelijk optreden van cumulatieve effecten. In de doorrekening van het Energieakkoord zijn dus ook alle toekomstige en nog niet vergunde windparken meegenomen. Omdat mariene soorten een diffuse verspreiding kennen en hun migratiepatronen zich door de gehele Zuidelijke Noordzee uitstrekken, is het noodzakelijk om ook internationale projecten te betrekken. Daar waar mogelijk zijn overigens de cumulatieve effecten op zeezoogdieren en aanvaringsslachtoffers wel berekend en beoordeeld in het licht van het SER akkoord. De mitigerende maatregelen zijn afgewogen in relatie tot de juridische kaders en gebaseerd op best beschikbare kennis. Daarnaast is de heirestrictie (verbod in januari tot en met mei in geval van 77–95 palen) aangepast naar 159 dB re μPa2s SEL1 op 750 meter van de geluidsbron.

KEC

Delta

Z: Indiener acht periodieke herziening van het KEC ongewenst. Daarnaast wordt verzocht duidelijk te definiëren wat de ‘zeer uitzonderlijke situaties’ zijn, waarin procedures tot wijziging kavelbesluit gaan lopen.

A: Zoals in het kavelbesluit is aangegeven betreft het hier zeer uitzonderlijke situaties waarin geconstateerd wordt dat de eerdere conclusies uit de reeds genomen kavelbesluiten onhoudbaar zijn. Voorbeelden van deze zeer uitzonderlijke situaties of duidelijke definiëring hiervan kan op voorhand niet gegeven worden. Alleen dan zal het Rijk overwegen om een procedure tot wijziging in gang te zetten waarbij de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure zoals beschreven in de Algemene wet bestuursrecht zal worden gevolgd.

NWEA, Dong Energy, RWE, Delta

Z: Indiener vraagt zich af of de gehanteerde scenario’s uit het MER wel het meest geschikt zijn of dat de laatste stand van zaken moet worden doorgerekend.

A: In de besluitvorming dient het bevoegd gezag te allen tijde uit te gaan van de best beschikbare kennis. Derhalve is in het MER en het KEC ook uitgegaan van de best beschikbare data. Daarbij dient tevens opgemerkt te worden dat het KEC een ‘levend’ document is en voortdurend wordt geüpdatet met nieuwe inzichten die voortkomen uit onderzoeken waaronder het monitoring- en evaluatieplan.

Z: Indiener wordt graag op de hoogte gehouden van het (nog nader te bepalen) proces van herziening van het KEC alsmede van de gevolgen voor de mitigerende maatregelen in de kavelbesluiten.

A: Als dit aan de orde is, zullen indieners hierover geïnformeerd worden.

Vleermuizen

Delta

Z: Indiener vraagt zich af waar de aanname van 8.000 turbines in relatie tot cumulatieve effecten op vleermuizen vandaan komt. Opeenstapeling van conservatieve aannames geeft bovendien geen zekerheid over de PBR doelstelling.

A: De realisatie van windenergie op zee zoals verwoord in het Energieakkoord is als uitgangspunt meegenomen voor de cumulatieve effectbeoordeling (t/m 2023). Hiermee wordt uitwerking gegeven aan het advies van de Commissie voor de m.e.r. op het MER/PB die voor de partiële herziening van het Nationaal Waterplan (2009–2015) is opgesteld. Door deze werkwijze wordt de kans verhoogd om de routekaart te voltooien zonder belemmeringen als gevolg van het mogelijk optreden van cumulatieve effecten. Voor vogels en vleermuizen is gerekend met nationale en buitenlandse windparken op de Noordzee in het studiegebied, voor zover die vrijwel zeker doorgang vinden. Omdat het migratiepatroon van de Ruige Dwergvleermuis zich mogelijk over de gehele Zuidelijke Noordzee uitstrekt, is het noodzakelijk om ook internationale projecten te betrekken.

Bruinvissen/onderwatergeluid

Commissie voor de m.e.r.

R: De Commissie is van mening dat voor kavel IV de gepresenteerde worst case situatie ten aanzien van negatieve effecten van onderwatergeluid alleen volstaat, indien niet dieper wordt geheid dan 29 m. De Commissie adviseert om indien in kavel IV dieper geheid gaat worden dan 29 meter nieuwe geluidberekeningen uit te voeren op basis van de maximale heidiepte en aan te geven wat dat betekent voor het aantal verstoorde bruinvissen en de daarmee te nemen geluidwerende voorzieningen.

A: Kavel IV wordt gedomineerd door zandribbels met groot verschil in hoogte waardoor de heidiepte in de kavel op korte afstand vrij sterk kan verschillen. De exacte waterdiepte per paalpositie, of dat nu 29 meter of 33 meter is, is voor de verspreiding van het onderwatergeluid echter ondergeschikt aan hoe de bodem er in de ruimere omgeving uitziet. Voor de bepaling van de effecten van onderwatergeluid dat vrijkomt bij heien is gebruik gemaakt van een kaart met gemeten waterdieptes van het gehele, veel grotere, gebied waarover de geluidscontour zich uitstrekt. Hierdoor is het niet nodig om bij een andere heidiepte nieuwe geluidberekeningen uit te voeren.

Delta

Z: Indiener vraagt zich af of de ondergrens van de 4 MW turbine en het rapport van de Commissie voor de m.e.r. daadwerkelijk zijn doorgevoerd.

A: Bij de inrichting van de kavels voor Borssele III, IV en V wordt een minimale turbinegrootte van 6 MW gehanteerd in plaats van de door indiener genoemde 4 MW. In paragraaf 7.3.3 zijn inderdaad de ‘worst case’ analyses opgenomen van de uiterste bandbreedte. Op basis van de resultaten van deze worst case analyse is de bandbreedte ingeperkt naar een voorkeursbandbreedte. De effecten als gevolg van de voorkeursbandbreedte zijn nader beschreven in het MER. Het gaat hierbij onder andere om de doorberekening van de effecten van verschillende turbinegroottes met een maximaal opgesteld vermogen van 380 MW. Hieruit is een flexibele geluidsnorm voortgekomen. Bij het beoordelen van de effecten is rekening gehouden met het rapport van de Commissie voor de m.e.r. (Tussentijds toetsingsadvies over het concept-milieueffectrapport 30 april 2015 / rapportnummer 2965-56). Rekening houdend met het advies van de Commissie voor de m.e.r. is voor de toetsing van de effecten ervan uitgegaan dat met grote zekerheid (95%) moet kunnen worden vastgesteld dat de huidige bruinvispopulatie als gevolg van de aanleg van de 10 windparken op zee van het SER-akkoord met niet meer dan 5% afneemt. Voorschrift 4, tweede lid waarin limieten worden opgelegd aan de onderwatergeluidsproductie als gevolg van hei-activiteiten is dus enerzijds gebaseerd op effecten van maximaal 63 turbines (6 MW, 380 opgesteld vermogen) en anderzijds op een maximale populatiereductie van 5%.

Z: Indiener verzoekt expliciet op te nemen dat er in de exploitatiefase van het windpark geen beperkingen of voorschriften zullen gelden op basis van geluid. Tevens verzoekt indiener expliciet op te nemen dat geluidsnormen voor de constructiefase ook cumulatief gelden, dus ook wanneer er tegelijkertijd wordt gewerkt.

A: De expliciete vermelding dat een voorschrift niet nodig is, is overbodig. In hoofdstuk 7 van het kavelbesluit is de motivering aangepast waardoor duidelijk is dat de geluidsnorm ook geldt wanneer er tegelijkertijd wordt gewerkt.

Monitoring

GDF SUEZ

Z: Indiener verzoekt om verduidelijking van de locatie specifieke monitoringsverplichting voor kavel III, IV en V.

Regeling
Kavelbesluit V (innovatiekavel) windenergiegebied Borssele
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
17-07-2026
BWB-id
BWBR0037802
Versie
2026-07-17_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl