2.4 — Kavel I/kavel II (deel 1) Kavelbesluit II windenergiegebied Borssele
Kavel I/kavel II
Kenmerken
Belgian Offshore Platform (BOP), Rentel NV, Seastar NV en THVMermaid
Z: Indiener stelt – kort samengevat – dat er onvoldoende rekening gehouden is met de Belgische windparken.
A:
In dit besluit is zoveel als mogelijk rekening gehouden met de belangen van exploitanten van nabijgelegen windparken. Hiervoor is een aanvullend onderzoek door ECN uitgevoerd, dat mede de basis vormt voor het milieueffectrapport. Voor het windenergiegebied Borssele is de keuze gemaakt om 1.400 MW windenergie te realiseren en niet 2.100 MW onder meer om de zog-effecten op de Belgische parken te verminderen.
Het voorgaande neemt niet weg dat de energieopbrengst van de genoemde windparken kan afnemen na realisatie van windturbines op de aangewezen kavels. Volgens het onderzoek van ECN zal bij realisatie van een 1.400 MW windpark in het windenergiegebied Borssele de energieopbrengst voor de Belgische windparken met gemiddeld 2,7% afnemen. In het rapport is ook een specificatie per windpark opgenomen. De percentages zijn: Belwind 3,36%, Seastar 3,35%, Northwind 3,59%, Rentel 3,60%, Thornton Bank 2,01%, Norther 1,88%, Mermaid 2,36%, Northwester 2 1,94%. Bovenstaande afname van de energieopbrengst zal gedurende een beperkt aantal jaren van de exploitatie van de reeds bestaande (delen van) de Belgische windparken optreden. Bovendien ligt de afname van de energieopbrengst in de toekomst vanaf circa 2020, waardoor de gederfde inkomsten netto contant lager zijn. Rekening houdend met bovenstaande is het nadeel aanzienlijk kleiner dan bovengenoemde percentages. Voor de betrokkenen is derhalve geen sprake van schade met een excessief karakter, dat integraal moet worden meegewogen bij het nemen van het kavelbesluit. Indien toch blijkt dat nadeel wordt ondervonden door betrokkenen kan een separaat besluit genomen worden over de vraag of nadeelcompensatie verschuldigd is aan exploitanten van reeds bestaande windparken die mogelijkerwijs hinder ondervinden van de aangewezen kavels. In die besluiten wordt overeenkomstig de criteria voor nadeelcompensatie getoetst of eventuele schade voorzienbaar was, of sprake is van een bijzondere last en of de last het normale bedrijfsrisico te boven gaat.
Z: Indieners verzoeken om een aanvullend simulatieonderzoek uit te voeren met als doel het maximaal beperken van wederzijdse wake-effecten.
A: Ten bate van de kavelbesluiten zijn door ECN simulatieonderzoeken uitgevoerd om de windafvang te berekenen. De effecten zijn meegenomen bij de afweging voor de kavelbesluiten. Grotere afstanden tot de Belgische windparken zou betekenen, dat de Nederlandse windparken een veel grotere dichtheid krijgen. Het zoveel mogelijk evenredig verdelen van de windmolens over het beschikbare gebied leidt per saldo tot de minste verliezen voor alle parken. Meer gedetailleerde simulatie zal niets aan deze conclusie af doen.
NWEA, Eneco, Delta en GDF SUEZ
Z: Indieners verzoeken in de kavelbesluiten op te nemen dat explosieven zonder kosten voor de exploitant zullen worden verwijderd.
A: Paragraaf 4.1.5 wordt als volgt aangevuld: ‘Indien er uit nader onderzoek volgt dat er op de plek van de te plaatsen fundering of in het gebied waar kabels worden ingegraven een niet-gesprongen explosief wordt ontdekt, dan wordt dit gemeld aan de Kustwacht. Zij schakelt de Koninklijke Marine in die zorg draagt voor het veilig opruimen van het betreffende object. Voor de vergunninghouder zijn hieraan geen kosten verbonden.’
Verkaveling
TenneT
Z: Indiener geeft aan de exportkabels van platform Beta naar land te verplaatsen, wat het aanpassen van de kavelgrenzen van kavels II en III mogelijk maakt.
A: De veranderde ligging van de exportkabels van platform Beta is opgenomen in de GIS gegevens die te raadplegen zijn op de website van RVO. Door de verplaatsing van de kabels wordt de omvang van kavel II iets groter en de aansluitverbinding iets kleiner. De betreffende nieuwe coördinaten zijn vastgelegd in voorschrift 2, eerste en tweede lid.
NUON, NWEA en Eneco
Z: Indieners wijzen op de mogelijke wijziging van de locatie van de platforms en de exportkabels van TenneT.
A: Verwezen wordt naar de direct hierboven opgenomen zienswijze en het antwoord daarop.
Delta
Z: Indiener verzoekt om de zog-effecten voor windenergiegebied Borssele uit te splitsen per kavel.
A: In paragraaf 4.2.3. wordt middels voetnoten naar de relevante ECN-studies verwezen. Deze zijn openbaar te vinden. In paragraaf 3.2 van de ECN-studie ‘Quick scan of the influence of the Borssele Wind Farms on the (planned) offshore wind farms in Belgium including losses for nearby Belgian Wind Farms’ met als kenmerk ECN-E--15-015, is het effect nader uitgesplitst naar de kavels door van ieder kavel de opbrengst, capaciteitsfactor en efficiëntie te geven. Omdat in de ECN-studies duidelijk vermeld is op welke wijze de Belgische windparken zijn meegenomen, wordt dit niet nogmaals in de kavelbesluiten herhaald.
Het windpark
GDF SUEZ
Z: Indiener verzoekt om een uitgebreidere beschrijving van de toegestane funderingswijzen.
A: De beschrijving in paragraaf 4.3.1 onder punt 2 Funderingen is als volgt aangevuld:
‘Suction bucket: een cilindrische constructie geplaatst onder een funderingspaal of funderingsconstructie waarvan de bovenkant is afgesloten.’
Vergunning
Delta
Z: Indiener vindt het onduidelijk waarop een minimale aanwezigheidstermijn wordt gebaseerd. Daarnaast acht zij de gehanteerde aanwezigheidstermijn en verwijderingstermijn in strijd met voorschrift 6 waarin staat dat de vergunninghouder het windpark verwijderd uiterlijk binnen twee jaar nadat de exploitatie is gestaakt.
A: De vergunninghouder verwijdert het windpark binnen twee jaar nadat de exploitatie is gestaakt, doch uiterlijk binnen de looptijd van de vergunning.
Z: Indiener vraagt zich af of er ten tijde van de verwijdering ook een veiligheidszone wordt ingesteld.
A: De veiligheidszone wordt ingesteld rondom een installatie en duurt voort zolang er van een installatie sprake is.
Veiligheidszone, scheepvaartveiligheid, doorvaart en medegebruik
NWEA, Eneco, NUON en GDF SUEZ
Z: Indieners zijn van mening dat de definities van windpark en installatie niet op elkaar aansluiten.
A: De achtergrond van het verschil tussen beide definities is gelegen in het VN Zeerechtverdrag (UNCLOS). Verdragsrechtelijk worden kabels en leidingen van installaties onderscheiden. Het installatiebegrip is afkomstig uit artikel 60 UNCLOS, dat is geïmplementeerd in artikel 6.10 van de Waterwet. Voor kabels en leidingen geldt een ander regime, te weten artikel 79 UNCLOS. Om deze reden kunnen de inter arraykabels geen deel uit kunnen maken van de installatie, maar dus wel van het windpark. Enkel om een installatie als bedoeld in artikel 60 UNCLOS kan een veiligheidszone ingesteld worden. Om kabels en leidingen bevinden zich onderhoudszones, maar die zones hebben geen grondslag in het VN Zeerechtverdrag. Overigens zal het overgrote deel van de windparkbekabeling gelegen zijn binnen de veiligheidszone om een installatie. Dat kan het geheel van windturbines zijn of het platform Borssele Alpha.
GDF SUEZ
Z: Indiener suggereert dat doorvaart en medegebruik alleen toegestaan zou moeten worden na voorafgaande toestemming van de exploitant.
A: Besluiten over doorvaart en medegebruik zijn voorbehouden aan de minister van Infrastructuur en Milieu. De algemene beleidslijn op dit punt is opgenomen in het Nationaal Waterplan en per installatie wordt een besluit genomen tot het instellen van een veiligheidszone op grond van artikel 6.10 van de Waterwet. Niet in de kavelbesluiten, maar in dit besluit wordt geconcretiseerd of en zo ja welke vormen van doorvaart en medegebruik toegestaan zijn. Het kavelbesluit is hiervoor dus niet de plaats. Aan de besluitvorming ligt een belangenafweging ten grondslag, waarin het belang van de exploitant van een windpark een plaats heeft.
NWEA en Eneco
- Regeling
- Kavelbesluit II windenergiegebied Borssele
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 17-07-2026
- BWB-id
- BWBR0037801
- Versie
- 2026-07-17_0