3 — Voorschriften (deel 1) Kavelbesluit IV windenergiegebied Borssele
Voorschriften
Voorschrift 1
NWEA, Nuon
Z: Indiener is van mening dat de definities van windpark en installatie niet op elkaar aansluiten.
A: De achtergrond van het verschil tussen beide definities is gelegen in het VN Zeerechtverdrag (UNCLOS). In het verdrag worden kabels en leidingen van installaties onderscheiden. Het installatiebegrip is afkomstig uit artikel 60 UNCLOS, dat is geïmplementeerd in artikel 6.10 van de Waterwet. Voor kabels en leidingen geldt een ander regime, te weten artikel 79 UNCLOS. Om deze reden kunnen de inter-arraykabels geen deel uit maken van de installatie, maar dus wel van het windpark. Enkel om een installatie als bedoeld in artikel 60 UNCLOS kan een veiligheidszone ingesteld worden. Om kabels en leidingen bevinden zich onderhoudszones, maar die zones hebben geen grondslag in het VN Zeerechtverdrag. Overigens zal het overgrote deel van de windparkbekabeling gelegen zijn binnen de veiligheidszone om een installatie. Dat kan het geheel van windturbines zijn of de platformen Borssele Alpha en Beta.
Voorschrift 2
NWEA, Dong Energy, RWE, Delta
Z: Indiener merkt op dat in paragraaf 7.8.7 (Bevordering biodiversiteit) abusievelijk wordt verwezen naar voorschrift 2, lid 16 waar voorschrift 2, lid 15 wordt bedoeld.
A: Op basis van de ingebrachte zienswijze is het kavelbesluit aangepast.
Z: Indiener vraagt zich vanuit kostenoogpunt af hoe omgegaan dient te worden met effecten van medegebruik in het park op het plan van aanpak omtrent de versterking van een gezonde zee en wat de vereiste inhoud is.
A: Het plan van aanpak behelst alleen die activiteiten en maatregelen die de ontwikkelaar zelf (onder)neemt voor het ontwerpen en aanleggen van het windparken en waarmee een gezonde zee en inheemse natuur wordt versterkt.
Z: Indiener verzoekt om het aantal windturbines van kavel III in overeenstemming te brengen met de voorgeschreven minimale turbinegrootte.
A: Op basis van de ingebrachte zienswijze is het kavelbesluit aangepast. Zie voorschrift 2, lid 5 van het kavelbesluit.
NWEA, Delta
Z: Indiener vindt het onduidelijk wat de consequenties zijn voor ontwikkelaars van het voorgeschreven natuurplan.
A: De ontwikkelaars wordt gevraagd om een plan in te dienen waaruit blijkt op welke manier het ontwerp en de aanleg van het windpark actief bijdraagt aan versterking van een gezonde zee en inheemse natuur. Het gaat dus om een beschrijving van de activiteiten en maatregelen die de ontwikkelaar daadwerkelijk (onder)neemt.
NWEA, RWE
Z: Indiener vraagt zich af of een plan dat ziet op de versterking van de lokale en regionale economie een redelijk voorschrift is en is gebaseerd op een wettelijk voorschrift. Daarnaast vraagt indiener zich af wat de inhoud van het plan kan behelzen.
A: In artikel 4 van de Wet windenergie op zee is aangegeven waar de regels en voorschriften verbonden aan het kavelbesluit in ieder geval betrekking op hebben. Dit voorschrift heeft betrekking op de andere belangen van derden met betrekking tot de kavel. Het voorschrift is redelijk. Het gaat hierbij om het inzichtelijk maken van de positieve effecten op de lokale en regionale economie. Deze positieve effecten kunnen bijdragen aan een vergroting van de acceptatie van de windparken, wat ook in het belang is van de windparkexploitanten zelf. Wat betreft de inhoud gaat het bijvoorbeeld om het gebruik van lokale havens voor opslag, assemblage en transport van onderdelen van de windparken, de inhuur van lokale aannemers en bedrijven voor de toelevering van onderdelen, de aanleg en het periodieke onderhoud van het windpark, sponsoring of andere bijdragen aan (het imago van) duurzame kustgemeenten en het gebruik van hotelovernachtingen door personeel.
Delta
Z: Indiener stelt dat aanvragers in hun vergunningaanvraag aannemelijk dienen te maken dat zij zich aantoonbaar inspannen om het park zo te ontwerpen dat het bijdraagt aan de lokale en regionale economie. Indiener vindt het onduidelijk wat daaronder verstaan wordt. Indiener verzoekt om verduidelijking van voorschrift 2, lid 15.
A: Zie hiervoor het antwoord op de voorgaande zienswijze van NWEA en RWE.
NWEA, Dong Energy,
Z: Indiener raadt aan om de bovengrens te verhogen naar 12 MW per turbine met inachtneming van de opgenomen totale hoogte en rotoroppervlakte.
A: Uit overleg met het TKI Wind op Zee kwam naar voren dat een bandbreedte tot 10 MW per turbine voldoende ruim is voor de plaatsing van de ten tijde van de aanleg van de windparken in kavels III, IV en V naar verwachting beschikbare windturbines. Desgevraagd gaven indieners aan dat de kans klein is dat turbines groter dan 10 MW commercieel worden toegepast in de kavels III en IV in Borssele. Daarom wordt deze suggestie niet overgenomen. Voor de navolgende kavelbesluiten in windenergiegebied Hollandse Kust zal uitbreiding van de bandbreedte wel worden overwogen.
NWEA, Nuon
Z: Indiener verzoekt de coördinaten aan te passen.
A: Dit is aangepast in voorschrift 2 van de kavelbesluiten.
NWEA, Nuon, Dong Energy
Z: Indiener vindt het onduidelijk waarom de bandbreedte van kavel IV verschilt ten opzichte van die van kavel III.
A: Dit is aangepast in voorschrift 2 lid 7 naar een ondergrens van 6 MW voor beide kavelbesluiten.
Nuon
Z: Indiener geeft aan dat het aantal turbines van kavel IV niet verenigbaar is met het voorgeschreven minimum vermogen van 4 MW.
A: Op basis van de ingebrachte zienswijze is het kavelbesluit aangepast. Zie voorschrift 2, lid 5 van het kavelbesluit.
NWEA, Nuon
Z: Indiener geeft aan dat het voorschrift betreffende het terugbrengen van de draaisnelheid bij onderhoud van de windturbines, in strijd is met de ICPC.
A: De minister is niet gebonden aan de aanbevelingen van de ICPC . Op grond van het VN Zeerechtverdrag heeft een kuststaat rechtsmacht ten aanzien van installaties in de EEZ zoals een windpark. De minister mag op grond van de Wet windenergie op zee eisen stellen aan de windmolenexploitant met betrekking tot de exploitatie van een windpark. De minister weegt de betrokken belangen af en stelt hiervoor voorschriften op in het kavelbesluit. Op grond van scheepvaartveiligheid is het noodzakelijk dat de windmolens langzamer draaien wanneer een onderhoudsschip in de onderhoudszone werkzaamheden uitvoert.
Witteveen+Bos
Z: Indiener geeft aan dat er een discrepantie zit tussen de ondergrens van de bandbreedte in het voorschrift en de toelichting daarop.
A: Op basis van de ingebrachte zienswijze is het kavelbesluit aangepast. Zie voorschrift 2, lid 5 van het kavelbesluit.
Voorschrift 4
NWEA, Dong Energy, RWE, Delta
Z: Indieners geven aan dat de hoeveelheid mitigerende maatregelen overtrokken is en verzoekt op basis van de uitkomsten van het monitoringsprogramma bij toekomstige en (dan) bestaande kavelbesluiten de voorschriften te versoepelen.
A: Het doel van het Monitoring- en evaluatieprogramma (MEP) is onder andere om de effecten van de aanlegfase en de gebruiksfase te evalueren. De verwachting is dat de opzet voor het MEP klaar is, voordat de aanleg- en gebruiksfase van start gaan. Omdat het merendeel van de uitkomsten van het MEP pas worden verwacht na het opstellen van de milieueffectrapporten voor nog te nemen kavelbesluiten kunnen deze uitkomsten niet worden meegenomen voor de afspraken uit het Energieakkoord De reeds genomen kavelbesluiten blijven in principe ongewijzigd. Alleen in zeer uitzonderlijke situaties wanneer er wijzigingen worden geconstateerd die de eerdere conclusies uit de reeds genomen kavelbesluiten onhoudbaar maken, zal het Rijk overwegen om een procedure tot wijziging van een kavelbesluit in gang te zetten. Hiervoor zal volgens de Wet windenergie op zee de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure zoals beschreven in de Algemene wet bestuursrecht worden gevolgd, zoals die ook geldt voor de nieuwe kavelbesluiten.
Nuon, NWEA, Dong Energy, RWE, Delta
Z: Indieners geven aan dat er meer/andere ‘proven technology’ alternatieven zijn, die in voorschrift 4, lid 1 opgenomen zouden kunnen worden.
- Regeling
- Kavelbesluit IV windenergiegebied Borssele
- Soort
- Ministeriële regeling
- Geldend vanaf
- 17-07-2026
- BWB-id
- BWBR0037800
- Versie
- 2026-07-17_0