wetzoeker

5.1 — Drones 102 Voor de praktische toepassing van drones, zie: ‘Handleiding Drones en Privacy’ (Kamerstukken II 2015/16, 30 806, nr. 34). (deel 1) Beleidsregels cameratoezicht, College bescherming persoonsgegevens

Drones 102 Voor de praktische toepassing van drones, zie: ‘Handleiding Drones en Privacy’ (Kamerstukken II 2015/16, 30 806, nr. 34).

Met het begrip ‘drone’ wordt bedoeld een onbemand luchtvaartuig. Andere begrippen die in dit kader ook vaak worden gebruikt zijn:

• Unmanned Aircraft (UA): een onbemand luchtvaartuig

• Unmanned Aerial Vehicle (UAV): een onbemand luchtvaarttoestel

• Unmanned Aircraft System (UAS): een onbemand luchtvaartuigsysteem

• Remotely Piloted Aircraft System (RPAS): een onbemand luchtvaartuigsysteem op afstand bestuurd (door een piloot).

In deze beleidsregels wordt evenwel als overkoepelende term de term ‘drone’ gehanteerd.

103 Strikt genomen is een drone echter een militair vliegtuig die autonoom een vooraf geprogrammeerde vliegbaan aflegt. Een RPAS is dus eigenlijk geen drone (http://www.darpas.nl/faq/).

Voor recreatief gebruik van drones (model) is geen vergunning nodig. Wel moet worden voldaan aan de bepalingen uit de Regeling modelvliegtuigen.

104 Regeling modelvliegen van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 2 december 2005, nr. HDJZ/LUV/2005-2297, Hoofddirectie Juridische Zaken, houdende nadere regels voor vluchten met een modelvliegtuig (Regeling modelvliegen).

Deze Regeling modelvliegtuigen stelt regels omtrent het gebruik van het luchtruim. Hieronder vallen bijvoorbeeld regels omtrent de vlieghoogte en waar wel en niet mag worden gevlogen. Zo verbiedt de luchtvaartregelgeving

105 Zie: artikel 2 van de Regeling Modelvliegen juncto artikelen 14 en 15 van de Regeling op afstand bestuurde luchtvaartuigen.

onder andere om boven gebieden met aaneengesloten bebouwing of boven mensenmenigten te vliegen. Behoudens een ontheffing mogen drones dus niet in de buurt komen van een woonwijk of van (andere) plaatsen waar zich mensenmenigten of doorgaans mensen bevinden. Bovendien kunnen lagere overheden extra regels stellen in verordeningen, bijvoorbeeld in het kader van milieu, openbare orde en veiligheid. Dit kan verschil maken ten aanzien van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.

Voor drones die vanuit beroepsmatige of bedrijfsmatige overwegingen worden bediend, is respectievelijk een bewijs van bevoegdheid, een bewijs van luchtwaardigheid en een zogenoemde Remotely piloted aircraft system operator certificate (ROC) vereist.

106 Deze regelgeving is uitgewerkt in het Besluit van 23 april 2015 tot wijziging van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart, het Besluit luchtvaartuigen 2008, het Besluit vluchtuitvoering en het Besluit burgerluchthavens (regels voor op afstand bestuurde luchtvaartuigen), Stb. 2015, 163 alsmede in de Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 23 april 2015, IENM/BSK-2015/11533, houdende de vaststelling van regels voor op afstand bestuurde luchtvaartuigen, Stcrt. 2015, nr. 12034.

Drones kunnen worden uitgerust met (hoge resolutie) camera’s. Hierdoor wordt het mogelijk om (gedetailleerde en ingezoomde) video-opnames te maken vanuit de lucht. Tevens wordt het mogelijk om video-opnames te maken van plaatsen die moeilijk of niet op andere wijzen kunnen worden gemaakt. Drones kunnen bovendien naar behoefte worden gestuurd en zijn in staat om in korte tijd grote afstanden af te leggen. Juist deze eigenschappen kunnen leiden tot een grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.

Door middel van drones met camera’s kunnen immers opnames worden gemaakt van personen op plaatsen waar zij verwachten onbespied te zijn. Te denken valt aan private terreinen of plaatsen waar geen mogelijkheden zijn om camera’s te bevestigen. Drones kunnen personen ook gemakkelijk volgen. Bovendien zijn drones vaak niet of moeilijk zichtbaar, laat staan dat zichtbaar is dat daaraan een camera is bevestigd. Ook wordt de verantwoordelijke voor een extra uitdaging geplaatst om alle betrokkenen adequaat vooraf te informeren over het cameratoezicht.

Zoals eerder al is aangegeven, heeft de inzet van drones geen invloed op de wettelijke regelingen die in een concrete situatie van toepassing zijn. Relevante bepalingen van de Wbp en artikel 151c Gemeentewet j° de Wpg zijn uitgewerkt in de hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze beleidsregels. Gelet op de eigenschappen en mogelijkheden van drones en de potentiële impact die drones kunnen maken op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen, zijn wel een aantal aandachtspunten te noemen.

Proportionaliteit en subsidiariteit

Allereerst is het van groot belang dat de verantwoordelijke zorgvuldig afweegt om al dan niet tot cameratoezicht door middel van drones over te gaan. De inzet van drones zal minder snel voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit dan de inzet van statische camera’s,

107 Zie over de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit paragraaf 2.7 en 3.7 ‘Noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit’.

vanwege de mogelijkheid om drones (letterlijk en figuurlijk) flexibel in te zetten kan er ook meer inbreuk worden gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen. Het belang van het treffen van waarborgen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt hierdoor bovendien onderstreept. Indien het doel van het cameratoezicht ook kan worden bereikt op een voor de burger minder ingrijpende wijze, bijvoorbeeld door middel van statische camera’s, dan is de inzet van drones niet geoorloofd.

108 Zie ook Kamerstukken II 2012/13, 33 582, nr. 3, p. 12.

Bovendien mag cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet alleen betrekking hebben op openbare plaatsen (artikel 151c, lid 1 en 2, Gemeentewet). Het is dus niet toegestaan dat gemeenten ter handhaving van de openbare orde video-opnames maken van privévertrekken zoals tuinen en het interieur van woonhuizen.

Beveiliging

Een ander aandachtspunt is de beveiliging.

109 Zie over het onderwerp beveiliging paragraaf 2.10 en 3.10 ‘Beveiliging’.

Sommige drones zijn uitgerust met de mogelijkheid om tijdens de vlucht camerabeelden te versturen naar het basisstation, alwaar ze kunnen worden uitgekeken. Hierbij bestaat het risico dat de beelden door onbevoegden ‘uit de lucht’ worden gehaald. Indien de camerabeelden op de drone of de daaraan verbonden apparatuur worden opgeslagen, bestaat het risico dat de beelden in handen van onbevoegden komen als de drone voortijdig uit de lucht komt vallen of uit de lucht wordt gehaald. De verantwoordelijke moet ook voor dergelijke situaties zorgen voor een adequate beveiliging, bijvoorbeeld door de camerabeelden te versleutelen met een deugdelijke encryptie.

Informatieplicht

Nog een aandachtspunt is het informeren van de betrokkenen.

110 Zie over de informatieplicht paragraaf 2.13 en 3.13 ‘Informeren betrokkenen’.

In de regel geldt dat de betrokkenen moeten worden geïnformeerd dat er cameratoezicht plaatsvindt alvorens zij daadwerkelijk worden gefilmd. Dat kan in het geval van cameratoezicht door middel van drones problematisch zijn. Het is dan in ieder geval raadzaam om de betrokkenen via verschillende wegen te informeren. Te denken valt aan het plaatsen van borden aan de randen van het vlieggebied, een vooraankondiging en het verstrekken van actuele informatie op de website van de verantwoordelijke en via (sociale) media en bijvoorbeeld gemeentelijke nieuwsbrieven, het ter plekke uitdelen van informatiefolders en het zichtbaar en hoorbaar maken van de drones door middel van bijvoorbeeld felle kleuren, (knipperende) lichten en geluidssignalen.

111 Zie ook WP29, Opinion 01/2015 on Privacy and Data Protection Issues relating to the Utilisation of Drones, WP231, 16 juni 2015, p. 15–16.

Regeling
Beleidsregels cameratoezicht, College bescherming persoonsgegevens
Soort
ZBO-regeling
Geldend vanaf
02-02-2016
BWB-id
BWBR0037591
Versie
2016-02-02_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl