wetzoeker

2.13 — Informeren van betrokkenen Beleidsregels cameratoezicht, College bescherming persoonsgegevens

Informeren van betrokkenen

In de regel geldt dat betrokkenen moeten worden geïnformeerd dat er cameratoezicht plaatsvindt alvorens zij daadwerkelijk worden gefilmd (artikel 34 j° 33 Wbp).

Deze informatieplicht houdt in dat voor de betrokkenen in ieder geval duidelijk moet zijn dat er cameratoezicht plaatsvindt, voor welke doeleinden dit gebeurt en wie daarvoor verantwoordelijk is. Daarnaast moet de verantwoordelijke nadere informatie verstrekken voor zover dat gelet op de aard van de gegevens, de omstandigheden waaronder zij worden verkregen of het gebruik dat ervan wordt gemaakt, nodig is om tegenover de betrokkenen een behoorlijke en zorgvuldige verwerking te waarborgen (artikel 33, lid 3, en 34, lid 3, Wbp).

Het is niet nodig dat precies wordt aangeven waar de camera’s zijn geïnstalleerd, maar wel in welk gebied het cameratoezicht plaatsvindt. Tevens is niet nodig dat de betrokkenen kunnen zien of de camera’s in werking zijn.

Indien uit de context duidelijk kan worden afgeleid wat het doel van het cameratoezicht is en wie de verantwoordelijke is, kan een bord met een symbool van een camera voldoende zijn. De verantwoordelijke moet dan desgevraagd wel nadere informatie verstrekken. Het is bovendien aan te bevelen dat informatieverstrekking ook op andere wijzen plaatsvindt, bijvoorbeeld op de website van de verantwoordelijke of door middel van folders.

Deze informatieplicht is niet absoluut. Uitgezonderd is de situatie dat de informatieverstrekking aan de betrokkenen onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost. In dat geval moet de verantwoordelijke in ieder geval de herkomst van de gegevens vastleggen (artikel 34, lid 4, Wbp). Dit stelt de betrokkenen in staat achteraf bij de verantwoordelijke na te gaan welke keten van verstrekkingen heeft plaatsgevonden.

59 Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 156.

Zo kunnen camerabeelden afkomstig zijn van de beveiligingscamera’s van de verantwoordelijke zelf. Maar het is ook mogelijk dat derden de camerabeelden aan de betreffende verantwoordelijke heeft verstrekt.

Heimelijk cameratoezicht

Eveneens kan de informatieverstrekking buiten toepassing worden gelaten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten (artikel 43, sub b, Wbp). Deze uitzonderingsgrond kan van toepassing zijn op een werkgever die heimelijk cameratoezicht instelt wegens (een redelijk vermoeden van) diefstal of fraude.

60 Zie voor de vraag of heimelijk cameratoezicht is toegestaan paragraaf 2.7 ‘Noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit’.

In die situatie gelden wel de volgende voorwaarden:

• De werkgever moet alle werknemers in algemene termen vooraf informeren over de mogelijke inzet van heimelijk cameratoezicht in de toekomst.

61 Cameratoezicht dat niet op een duidelijke wijze kenbaar is gemaakt is onder omstandigheden strafbaar op grond van artikel 139f, lid 1, en 441b Wetboek van Strafrecht. Het vooraf informeren van alle werknemers over de mogelijke inzet van heimelijk cameratoezicht, neemt deze strafbaarheid weg.

• Indien er een ondernemingsraad (OR) of personeelsvereniging is, dan moet deze ondernemingsraad of personeelsvereniging hebben ingestemd met een regeling ten aanzien van deze verwerking.

62 De Wet op de ondernemingsraden bepaalt dat de ondernemingsraad een instemmingsrecht heeft over een besluit om gebruik te maken van een personeelsvolgsysteem, waaronder een (verborgen) camera kan vallen (artikel 27).

• De werkgever moet de werknemers altijd achteraf informeren over het heimelijke cameratoezicht indien hij daartoe daadwerkelijk is overgegaan. De informatieplicht van artikel 34 j° 33 Wbp herleeft namelijk zodra het heimelijk cameratoezicht niet meer noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. De werkgever moet de betrokkenen (bijvoorbeeld de dader) persoonlijk informeren.

Voorbeeld niet voldaan aan informatieplicht Direct na de ingang van een winkel hangt een camera. Achter de toonbank van de winkel hangt een bord met de tekst ‘Voor uw en onze veiligheid vindt hier camerabewaking plaats’. Deze werkwijze is niet geoorloofd, aangezien de informatieverstrekking moet plaatsvinden voordat de bezoekers van de winkel worden gefilmd. Het bord had daarom zichtbaar moeten zijn vanaf de ingang van de winkel.

Voorbeeld voldaan aan informatieplicht In een winkel vindt cameratoezicht plaats. Bij de ingang van de winkel, voordat de bezoekers worden gefilmd, hangt een duidelijk bord met een symbool van een camera. Uit de context is duidelijk dat de camera’s dienen ter beveiliging van de goederen in de winkel en dat de winkeleigenaar de verantwoordelijke is. Aan de informatieplicht is in dit geval voldaan.

Voorbeeld niet voldaan aan informatieplicht Op een bedrijventerrein vindt cameratoezicht plaats. Bij de ingang van het bedrijventerrein hangt een duidelijk bord met een symbool van een camera. Dit bord met enkel een symbool is in dit geval niet voldoende, omdat het voor de bezoekers van het bedrijventerrein niet duidelijk is wie de verantwoordelijke is. Op het bord had derhalve de naam van de verantwoordelijke moeten worden vermeld.

Voorbeeld informeren na afloop heimelijk cameratoezicht Een transportonderneming heeft een redelijk vermoeden dat een werknemer geregeld diefstal pleegt van lading uit een vrachtwagen wanneer hij de lading vervoert. De onderneming stelt heimelijk cameratoezicht in ten aanzien van de vrachtwagen waarin en de tijdstippen waarop de betreffende werknemer de lading vervoert. Daarbij komen zowel andere werknemers in beeld die helpen de lading te laden en lossen, als willekeurige voorbijgangers. Na afloop van het toezicht moet de onderneming álle werknemers die in beeld zijn gebracht informeren over de inzet van de heimelijke camera’s. De onderneming kan evenwel niet achterhalen wie de willekeurige voorbijgangers zijn. Het zou onmogelijk zijn of in ieder geval een onevenredige inspanning kosten om deze voorbijgangers ook op de hoogte te stellen. De onderneming hoeft daarom in dit geval de voorbijgangers niet te informeren. Wel moet de onderneming de herkomst van de camerabeelden vastleggen. Overigens mogen de camerabeelden niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is voor het doel.

1 Zie over het onderwerp bewaartermijnen paragraaf 2.9 ‘Bewaartermijn’. Wanneer de beelden dus niet of niet meer noodzakelijk zijn om de kwestie met betrekking tot de diefstal af te handelen, moet de onderneming de beelden onmiddellijk vernietigen.

Regeling
Beleidsregels cameratoezicht, College bescherming persoonsgegevens
Soort
ZBO-regeling
Geldend vanaf
02-02-2016
BWB-id
BWBR0037591
Versie
2016-02-02_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl