wetzoeker

3.3.3 — Conceptnotitie (deel 1) Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Addressing Root Causes Fund 2016–2021)

Conceptnotitie

De conceptnotitie bestaat uit vijf delen: (1) contextanalyse en actorenmapping, (2) verandertheorie, (3) toegevoegde waarde, (4) conflict-sensitiviteit en (5) het subsidiebedrag.

Voor de conceptnotitie maakt de aanvrager/penvoerder gebruik van het daarvoor beschikbaar gestelde format. De conceptnotitie beslaat niet meer dan veertien pagina’s. Dit is exclusief het voorblad, de toelichtingen en checklists in het format en onderdeel vijf van het format (het subsidiebedrag).

Indien de aanvrager/alliantie zich richt op subdoelstelling 5.1, dan dient een marktanalyse onderdeel te zijn van onderdeel één van de conceptnotitie –de contextanalyse en actorenmapping. Hiervoor krijgt de aanvrager/alliantie maximaal één pagina extra waarmee het totaal uitkomt op maximaal vijftien pagina’s.

De conceptnotitie moet in ieder geval (zichtbaar) onderstaande onderdelen bevatten:

• Contextanalyse en actorenmapping v.w.b. het/de beoogde interventiegebied(en): De aanvrager/alliantie geeft aan op welk(e) interventiegebied(en) (nationaal/provinciaal/lokaal – afhankelijk van het beoogde interventiegebied) de aanvraag zich richt. De aanvrager dient een adequate contextanalyse te schetsen uitvloeiend in een logische probleemstelling (de gedefinieerde grondoorzaken van het gewapende conflict of instabiliteit dan wel irreguliere migratie) in het/de beoogde interventiegebied(en). Indien de aanvraag zich op doelstellingen 5.1 (werkgelegenheid) focust dient een marktanalyse onderdeel te zijn van de contextanalyse. Daarnaast geeft de aanvrager/alliantie een overzicht (mapping) van de actoren die van belang zijn voor de oplossing van het probleem, in zowel positieve als negatieve zin, en de onderlinge verhoudingen tussen deze actoren. Schenk hierbij specifiek aandacht aan:

○ De politieke en socio-economische dynamiek.

○ De politieke en socio-economische machtsstructuren, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de relatie tussen mannen en vrouwen.

○ De invloed van de regionale/nationale context c.q. gebeurtenissen op de politieke en socio-economische dynamiek in het/de beoogde interventiegebied(en).

○ De formulering van een heldere probleemstelling, te weten de geïdentificeerde grondoorzaken van gewapend conflict of instabiliteit, dan wel irreguliere migratie, die voortvloeit uit bovenstaande analyse.

○ De actoren die invloed hebben op de mogelijke oplossing van het probleem; zowel in positieve als in negatieve zin; inclusief de onderlinge verhoudingen tussen de verschillende actoren.

○ De rol van de aanvrager/alliantie en van partners in de context.

○ De bronnen die geraadpleegd zijn in de totstandkoming van deze context- en actorenmapping.

○ Indien van toepassing, een gedegen marktanalyse waarin beschreven wordt hoe de markt eruit ziet, wie de belangrijkste spelers zijn en wat de voornaamste kansen en belemmeringen in de markt zijn. Hierbij dient aangetoond te worden waarop de analyse is gebaseerd (ervaring en/of onderzoek) meegeleverd als bijlage(n).

• Verandertheorie: De aanvrager/alliantie specifieert de verandertheorie in de vorm van een visualisatie. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het figuur in het format t.b.v. de conceptnotitie. Op grond van deze verandertheorie en de uitkomsten van het consultatieproces wordt in fase II (zie 2.2.) een programmadocument uitgewerkt. In de aanvraag gaat het daarom om een eerste opzet.

○ In de visualisatie dient de aanvrager/alliantie de volgende onderdelen op te nemen:

• De beoogde resultaatgebieden (programma-outcomes

34 Zie voetnoot 29.

) voor het in fase II uit te werken programmadocument die bijdragen aan de door de aanvrager/alliantie gekozen landendoelstelling(en) uit annex 1 van het beleidskader in het door de aanvrager/alliantie gekozen doelland. Hierbij dient de aanvrager/alliantie te streven naar maximaal drie programma-outcomes.

• De aannames over de verbanden tussen de programma-outcomes en de landendoelstelling(en).

• De verbanden tussen de verschillende programma-outcomes.

• De strategie voor het bereiken van de programma-outcomes, inclusief de daaronder liggende aannames.

○ In de conceptnotitie licht de aanvrager/alliantie de volgende onderdelen betreffende de verandertheorie toe:

• Hoe de programma-outcomes bijdragen aan (1) de overkoepelende doelstellingen van het ARC-fonds en (2) de gekozen landendoelstelling(en) in annex 1 van het beleidskader in het door de aanvrager/alliantie gekozen doelland en beoogde interventiegebied(en).

• Hoe de strategie beschreven in de visualisatie bijdraagt aan het behalen van de programma-outcomes.

• Hoe de programma-outcomes complementair zijn aan andere activiteiten die in het desbetreffende land worden ondernomen door de aanvrager/alliantie en andere ngo’ s en multilaterale instellingen en aansluiten bij de prioriteiten van de overheid (indien relevant in een conflictsituatie). Indien de activiteiten niet complementair zijn, leg uit waarom.

35 Indien aanvragers hier naar behoren op ingaan, is het maximum aantal punten voor criterium C11 niet uitgesloten. Zie hoofdstuk vier.

• De basis voor de aannames (onderzoek, eigen ervaring, etc.) zoals geformuleerd in de visualisatie.

• De wijze waarop de duurzaamheid van de programma-outcomes gegarandeerd wordt, waarbij specifiek wordt ingegaan op de rol van (lokale) autoriteiten, lokale partners en de doelgroep.

• De wijze waarop de verandertheorie genderkwesties op een geïntegreerde en transformerende aanpakt.

• Hoe de verandertheorie binnen de invloedsfeer van de aanvrager/alliantie ligt.

• Indien van toepassing (landendoelstelling 5.1), de wijze waarop de programma-outcomes (1) gericht zijn op de aanpak van specifieke, voor de context-relevante tekortkomingen, binnen de vraag, het aanbod en/of de bemiddeling tussen vraag en aanbod op de markt en (2) de (centrale en lagere) overheden gestimuleerd worden om barrières te slechten die een adequaat arbeidsmarkt- en ondernemingsklimaat hinderen.

• Toegevoegde waarde en relevantie: De aanvrager/alliantie beschrijft waarom het in aanmerking dient te komen voor subsidie in het gekozen doelland. Schenk hierbij specifiek aandacht aan:

○ De strategische relevantie van deze aanvraag voor het Nederlandse beleid op speerpunt Veiligheid & Rechtsorde.

○ De toegevoegde waarde van de aanvrager/alliantie ten opzichte van andere organisaties actief in het doelland op de gekozen landendoelstelling(en).

○ In het geval dat dit een aanvraag van een alliantie betreft, leg uit waarom er voor het werken in een alliantie is gekozen en wat de toegevoegde waarde van het werken in de alliantie is ten opzichte van de individuele alliantieleden.

• Conflict sensitiviteit: De aanvrager/alliantie toont aan dat het over adequate kennis en expertise op het gebied van conflict-sensitiviteit beschikt en hoe het zorgdraagt dat medewerkers, lokale partners eventuele aannemers op een conflict-sensitieve manier opereren en rapporteren naar de aanvrager/alliantie over contextuele veranderingen en de wisselwerking tussen programma-activiteiten en de context.

• Subsidiebedrag

36 Voor dit onderdeel worden geen punten toegekend. De aanvrager/alliantie volstaat met het invullen van het schema in het format.

Regeling
Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Addressing Root Causes Fund 2016–2021)
Soort
Ministeriële regeling
Geldend vanaf
15-02-2017
BWB-id
BWBR0037540
Versie
2017-02-15_0

In de hele regeling · Officiële tekst op wetten.overheid.nl