wetzoeker

Uitvoeringsbesluit kinderbijslagvoorziening BES

Besluit van 17 december 2015, houdende nadere regels omtrent de weigering en terugvordering van kinderbijslag BES op grond van de Wet kinderbijslagvoorziening BES (Uitvoeringsbesluit kinderbijslagvoorziening BES)

Soort
AMvB-BES
Geldend vanaf
01-07-2026
Rechtsgebied
Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht, Sociaal zekerheidsrecht
Ministerie
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
BWB-id
BWBR0037412
Versie
2026-07-01_0
SHA-256 bron
9e1d52ff6dde1fc9d2e4e244523963516084e786e2e4d311c00985d1f95b15a3

Officiële tekst op wetten.overheid.nl

Inhoud (13)
  1. Artikel 1
  2. Artikel 1a
  3. Artikel 1b
  4. Artikel 2
  5. Artikel 3
  6. Artikel 4
  7. Artikel 5
  8. Artikel 6
  9. Artikel 7
  10. Artikel 8
  11. Artikel 9
  12. Artikel 10
  13. Artikel 11

Hoofdstuk 1 — Algemene bepaling

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. wet: de Wet kinderbijslagvoorziening BES;

b. maatregel: de tijdelijke of blijvende, gehele of gedeeltelijke weigering van de kinderbijslag BES, bedoeld in artikel 16 van de wet.

Hoofdstuk 1a — Dubbele kinderbijslag bij intensieve zorg

Artikel 1a

1 Van intensieve zorg als bedoeld in artikel 5a, eerste lid, van de wet is sprake als het een kind betreft dat zodanig ernstig beperkt is in het dagelijks functioneren als gevolg van een ziekte of stoornis van lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of geestelijke aard dat de verzorging en oppassing door de ouders in ernstige mate wordt verzwaard.

2 Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot:

a. de wijze van inschakeling van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 5a, tweede lid, van de wet;

b. de wijze waarop wordt beoordeeld of er sprake is van intensieve zorg als bedoeld in het eerste lid;

c. de procedure alsmede de beoordelingscriteria waarop het advies, bedoeld in artikel 5a, tweede lid, van de wet wordt gebaseerd.

Hoofdstuk 1a — Dubbele kinderbijslag bij intensieve zorg

Artikel 1b

1 Onze Minister maakt met een rechtspersoon als bedoeld in artikel 5a, tweede lid, van de Wet kinderbijslagvoorziening BES afspraken over de samenwerking en werkwijze in het kader van de verdubbeling van de kinderbijslag bij intensieve zorg.

2 In de in het eerste lid bedoelde afspraken wordt ten minste vastgelegd:

a. op welke wijze er beleidsinformatie wordt gedeeld;

b. op welke wijze de informatievoorziening aan betrokkenen wordt geregeld;

c. op welke manier de invulling van de advisering aan Onze Minister wordt vormgegeven;

d. afspraken over privacy en de verwerking van persoonsgegevens.

Hoofdstuk 2 — Maatregel

Artikel 2

Een besluit tot oplegging van een maatregel wordt schriftelijk meegedeeld en vermeldt de reden voor het opleggen van deze maatregel, alsmede de hoogte en duur van de maatregel.

Hoofdstuk 2 — Maatregel

Artikel 3

1 Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de rechthebbende de gedraging verweten kan worden.

2 De hoogte en duur van een maatregel wordt, met dien verstande dat de hoogte van de maatregel ten minste 25 procent bedraagt van het geldende maandelijkse kinderbijslagbedrag BES voor één kind, vastgesteld op:

a. ten hoogste 30 procent van het maandelijkse kinderbijslagbedrag BES gedurende ten minste één maand indien:

1°. de rechthebbende binnen de vastgestelde termijn niet of niet behoorlijk gevolg geeft aan een verzoek om informatie als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet;

2°. de rechthebbende de controlevoorschriften, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet niet of niet behoorlijk opvolgt of geen of onvoldoende medewerking verleent aan Onze Minister als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet.

b. een gehele of gedeeltelijke weigering van het maandelijkse kinderbijslagbedrag BES gedurende ten hoogste drie maanden indien de rechthebbende zich niet onthoudt van zeer ernstige misdragingen als bedoeld in artikel 15, derde lid, van de wet.

3 Voor de toepassing van het tweede lid, onderdelen a en b, wordt het maandelijkse kinderbijslagbedrag BES in aanmerking genomen waarop op grond van de wet recht bestaat ten behoeve van het kind of de kinderen ten aanzien van wie de overtreding is begaan.

4 Indien aan de rechthebbende een maatregel is opgelegd en binnen twee jaar na de datum van het besluit opnieuw dezelfde verplichting niet of niet behoorlijk wordt nagekomen wordt het minimumbedrag, bedoeld in de aanhef van het tweede lid, alsmede het percentage van de op te leggen maatregel, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel a, met 50 procent verhoogd.

Hoofdstuk 2 — Maatregel

Artikel 4

1 Onze Minister kan afzien van het opleggen van een maatregel en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag toekennen van kinderbijslag BES, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de rechthebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.

2 Onze Minister kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Hoofdstuk 2 — Maatregel

Artikel 5

Indien sprake is van het niet of niet behoorlijk nakomen van meer dan één verplichting als bedoeld in artikel 3, tweede lid, en het niet of niet behoorlijk nakomen van deze verplichtingen voortkomt uit één oorzaak wordt slechts één maatregel opgelegd. Hierbij wordt de zwaarste maatregel opgelegd.

Hoofdstuk 3 — Terugvordering

Artikel 6

1 Een besluit tot terugvordering van kinderbijslag BES wordt schriftelijk meegedeeld en vermeldt de reden voor terugvordering, hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, ten uitvoer wordt gelegd.

2 Degene van wie kinderbijslag BES wordt teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan Onze Minister de informatie te verstrekken die voor terugvordering van belang kan zijn.

Hoofdstuk 3 — Terugvordering

Artikel 7

1 Onze Minister kan afzien van gehele of gedeeltelijke terugvordering indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

2 Onze Minister kan afzien van terugvordering indien het terug te vorderen bedrag minder dan USD 50 bedraagt.

Hoofdstuk 3 — Terugvordering

Artikel 8

Indien degene van wie kinderbijslag BES wordt teruggevorderd kinderbijslag BES ontvangt, kan het besluit tot terugvordering door Onze Minister ten uitvoer worden gelegd door verrekening van de ten onrechte uitbetaalde kinderbijslag BES met de nog te betalen kinderbijslag BES.

Hoofdstuk 3 — Terugvordering

Artikel 9

Bij gebreke van tijdige betaling kan het terug te vorderen bedrag worden verhoogd met de wettelijke rente en de op de terugvordering betrekking hebbende kosten.

Hoofdstuk 4 — Slotbepalingen

Artikel 10

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2016.

Hoofdstuk 4 — Slotbepalingen

Artikel 11

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit kinderbijslagvoorziening BES.